Uitgelicht

Waarde Lezer

Op deze bladzijde zult u fragmenten vinden uit mijn vertaling van een wonderbaarlijk hoogtepunt der naoorlogse letterkunde, het Précis de Décomposition, een bundel korte essays van de Frans-Roemeense geweldenaar Emil Cioran. Niet voor teerhartigen misschien, maar wel een meesterwerk van een ongekende stilistische brille dat ook een niet-Frans publiek verdient. Ik ben alweer aan de volgende titel begonnen en zie ernaar uit hier de nodige fragmenten te plaatsen. Daarnaast enkele beschouwingen van de nog niet zo bekende schrijver L.H. Zoutewelle, evenmin geschikt voor teergevoeligen en langtenigen, maar als stijlproefjes en aanzetjes tot reflectie mogelijk de moeite van het kennisnemen waard…

nb: foto’s en afbeeldingen door AM van Buren, tenzij anders vermeld

Advertenties

de loyale plastic robot

Aan weinig heb ik zo de pest als conformisme, doen wat anderen doen omdat anderen dat doen. Het hoogste gebod op school is: doe normaal. Niet voor mij: ik deed super en diesel, bio of kero, en dus stond ik buitenspel. Ik was er vroeg bij met mijn fascinatie voor muziek. Ik luisterde naar de radio en voelde iets resoneren bij de wildere stukken die erop te horen waren; brullende zangers, dreunende drums en gierende gitaren.
Helaas groeide ik op in de verkeerde tijd: in mijn tienerjaren regeerde de conformistenmuziek bij uitstek, disco, met ijzeren hand. Kirrende australische falsetmietjes en kwelende kwijlzangeresjes kregen de airplay en mijn muzikaal bepaald niet hoogbegaafde klasgenoten wisten niet beter of zetturdeenaitfiever en abbwaah waren het helemaal voor hen. Over de muzikaal verloren jaren tachtig zwijg ik liever.
Maar toch, in een verloren radiouurtje laat savonds hoorde ik een sneerende sarcast, die over een danig overdreven discobeat zong over de outfit die hem in het zonnetje zou zetten op de dansvloer, het lepeltje om zijn neus met opfokpoeder vol te scheppen en huh, ben je joods… prachtige nagels heb je! Zappa was de naam, en eindelijk had ik een medestander gevonden in mijn afkeer van de hersenverwekende vierkwartstredmolen.
Later hoor ik dezelfde stem in een onvervalst subversieve schets van twee personages. De één een brave kerel die zijn school afmaakt en loodgieter wordt, iedere dag zijn klanten afzet en ze beleert dat ze geen tampons moeten doorspoelen, de ander een niksnut die liever rond het zwembad blijft hangen. Het is wel duidelijk wie zijn sympathie heeft…
Dit stuk heeft mijn leven bedorven… of gered. Ik hoorde de langzaam, nadrukkelijk uitgesproken zin “be a loyal plastic robot in a world that doesn’t care” en was meteen verloren voor het slappe, oppervlakkige conformistenbestaan. Misschien dat ik daartoe al was voorbestemd, maar iemand moest het laatste zetje geven, en dat dank ik aan de briljante sinistere dwerg.
Ik werd een freak, een aparte zoals de normalen zeggen, maar ik ben daarin niet eenzaam: velen blijken zo te zijn als ik, zelfdenkend, zorgeloos onaangepast, schipper op eigen vaart. Ieder jaar vaart een aantal van ons naar de conformistenprovincie bij uitstek, Limburg, om moeilijkheden zoekende muzikanten werk van freaky Frankie te horen spelen. Hoe buitennissiger hoe beter: deze keer had een bizar persoon een carillon geprogrammeerd met een paar van de malle melodietjes van de vrolijke veelschrijver…
Moeilijk te geloven dat de man al vijfentwintig jaar dood is! Voor deze ene keer onderschrijf ik een afgekloven cliché: hij leeft voort in zijn werk, we kunnen nog lang vooruit met zijn erfenis. Hij mag vreemd ruiken, maar dat komt doordat hij nog lang niet begraven is.

Het drijfzand van de zorg

Dicht bij mijn utrechtse logeeradres middenin de binnenstad stond een ziekenhuis. Geheel in lijn met de ongeremde lokale urbane expansie is het opgegaan in een groter geheel, ergens in een buitenwijk die onlangs een zouteloze engelse naam heeft gekregen. Het gebouw heeft een paar jaar leeggestaan, waarin het onderdak bood aan een onbepaald aantal onderdaklozen, en is daarna verbouwd tot een behandelcentrum voor drugsverslaafden, toxicomanen zoals ze bij mij thuis zeggen.
Eerste vraag: wat doet een opvangbak voor menselijk afval op deze A-locatie, één van de duurste plekken in een van de duurste steden van dit land?
Tweede vraag: waarvandaan komt de lichtzinnige instelling die dit project begonnen is? Derde vraag: waar zijn de talloze miljoenen vandaan gekomen om een afgeragd ziekenhuis te strippen en in een gecapitonneerde welzijnsinstelling te veranderen?

Even terugblikken: de junkenplaag begon dit land te teisteren halverwege de jaren zeventig, toen een vloed van goedkope heroïne kwam opzetten en de economie niet iedereen meer een zinvolle dagelijkse bezigheid kon bieden. Duizenden marginalen raakten ontredderd en begonnen een inbraak-, berovings- en diefstalterreur die miljoenen dupeerde. Ik herinner me het moment waarop bleek dat je je hek niet ongestraft open kon laten staan, wie jonger dan vijftig is kan zich niet voorstellen dat je ooit in dit land de achterdeur open kon houden.
Moord en brand! De telegraaf, als altijd de gretige spreekbuis van het rapalje met vitrages en geraniums, nam de junks op de korrel, de verslavingszorg werd geboren. Een eigenaardige tak van sport, die een hybride drom helpers en ervaringsdeskundigen aan het werk hielp, allen gehinderd door de tegenstrijdigheid tussen het afkicken en de toen nog zo heilige persoonlijke zelfbeschikking. Gelukkig kwamen er de koele cijfers om de noodzaak van het tegengaan van het kwaad te onderbouwen: met een geschatte schade van een paar honderd per auto- en een paar duizend per woninginbraak staat de teller per drugsmaniak al snel op een paar ton per jaar. De bestrijding daarvan mag dus best wat kosten.
Ik ben misantroop genoeg om geen enkele consideratie te hebben met mensen die zoveel schade veroorzaken, ik zou ze het liefste uit hun lijden verlost zien met een kolossale laatste spuit. Maar dat is de theorie; in de praktijk ken je ze als begaafde muzikanten of schrijvers, niet helemaal te vertrouwen misschien, maar toch, geen mensen die hun waardigheid te grabbel hebben gegooid of hun ziel hebben ingeruild voor een roesmiddel.
Er is het medelijden en er is de economie, er zijn mensen die immense schade hebben aangericht en de samenleving blijvend guurder hebben gemaakt en er zijn de hooggestemde zielen die vinden dat je nooit iemand mag opgeven. Dat laatste heb ik nooit geloofd, maar het minste is toch deze overweging: als het verantwoord is om gemeenschapsgeld aan de ondersteuning van zwakkelingen te besteden, laat het dan ten minste goed besteed zijn. En in deze tijd is het onontkoombaar: de enige echt te verantwoorden zorg is geboortebeperking.
De megalomane zorginstelling in het voormalige ziekenhuis heeft zich in zijn ambities verslikt en is reddeloos failliet gegaan. No rest for the wicked…

Het terrarium der boeken

In de paar jaar voor mijn vertrek naar Frankrijk viel mij geheel toevallig een begin van scholing in een zeer eigenaardig vak ten deel. Ik had er op kleine schaal al enige ervaring mee; mijn steeds bejaarder wordende pa kreeg periodiek zo de kriebels bij het idee om kasten vol boeken na te laten dat we een aantal keer met een of twee dozen bij een lokaal specimen zijn langsgegaan.
Maar dat waren vingeroefeningetjes, vergeleken bij de partijen die ik opeens te verwerken kreeg. De eerste daarvan was meteen de mooiste: een zeer oude tante liet een bibliotheek achter met honderden van de chicste kunstboeken en haar erfgenamen wisten zich geen raad, om niet te zeggen dat het ze maar matig interesseerde. Mijn pa, nooit te beroerd om mensen die dat niet nodig hebben terwille te zijn, bood aan om het moois uit de verder al leeggehaalde flat te sjouwen, en realiseerde zich bij nader inzien dat hij wel een handje kon gebruiken. Dat van mij dus, reeds. Een andere tante zou de boel vermarkten, geholpen door haar ruime internetverkoopervaring. Wij reden niet met één, maar twee tot de nok toe volgeladen auto’s naar haar huisje aan de rand van Arnhem, waar ze ons met een misprijzende blik en de armen over elkaar stond op te wachten. Dat was niet de houding die ik verwacht had van iemand die een goudmijn binnengedragen krijgt, maar ik heb mijn verbazing voor me gehouden. Uiteindelijk nam ik de grotere boeken weer mee terug, de tante wist nog wel iemand die misschien interesse zou hebben.
Kwam dat even mooi uit: een paar dagen later kwam een slinkse nijmegenaar langs met zijn violette berlingo en een juf die een kunstboekenwinkel ging beginnen. Ze namen zeer ruim de tijd om alles te bekijken; langzaam groeide mijn ergernis over de psychologische manipulatie waaraan ze het nodig vonden mij te onderwerpen, met gluiperige opmerkingen als dat degenen die verkoopprijzen opzochten veel te veel verwachtten, dat het met dat soort mensen zo moeilijk handelen was en natuurlijk de klassiekers: er is weinig vraag naar, het brengt allemaal lang niet meer zoveel op als vroeger, die prijzen op de sites zijn niet reëel… Allemaal massage in één richting: een bod, op meer dan de helft van de voorraad, dat niet te pruimen zo laag was. Vervolgspel: ik zeg dan houd ik dat en dat liever zelf, en met die stapel erbij (de misschientjes, lees: best interessant maar alleen als ik er voor een schijntje aan kan komen) zus en zoveel. Uitkomst: dat meneer nog even naar de supermarkt moet om bij te pinnen, feilloos de beste titels meeneemt (behalve degene die ik voor dat geld niet wilde overhandigen) en ik een bedrag van drie cijfers incasseer. Later heb ik aan de topper van de collectie, een eerste druk van Couperus, en wat andere stapels nog twee keer zoveel opgehaald.
De tweede vracht was de schraalste: alweer van iemand uit de familie, die kleiner ging wonen en een kast had die leeg moest. Dit keer waren de kinders blijkbaar wat beter onderlegd en hadden ze het beste al meegenomen, want dit leek eigenlijk nergens op: de moeite die ik eraan had leverde niet eens een minimumloontje op.
Dan beloofde de volgende partij weer meer: alweer iemand van de oude generatie die kleiner ging wonen en een enorme Lundia leeggehaald wilde hebben. Vier autoladingen deze keer en een berg uitzoekwerk, maar ik kon grote delen ervan meteen naar de Emmaüs brengen: geen eer aan te behalen. Met de betere delen van de rest ben ik flink op sjouw geweest. Omdat het een zeer diverse collectie was diende ik een waaier van sjacheraars te benaderen om er een beetje redelijk uit te springen. Ook wilde ik een paar mannetjes laten langskomen, daarover later meer. Uiteindelijk viel de opbrengst dusdanig tegen dat de eigenares, die boven een bepaalde drempel best in de weelde wilde delen, niets kreeg. Haar zoon mocht later mijn huis kopen, dat dan weer wel.
De laatste vracht was het overzichtelijkst: ik begon een scherper beeld te krijgen van wat het inkopersvolkje de moeite waard vindt, en kon aanbiedster meteen al vrij precies vertellen wat er leuk was aan de verzameling; dat bleek ook zo te zijn. De klus zelf was eigenlijk gekkenwerk: twee autoladingen, twee weken voor de verhuizers kwamen, maar ik had er aardigheid in en het leek me niet wijs om het centje voor de moeite af te slaan. Deze keer ging ik met een stapel privédomeintjes de hort op en had ik voor de rest twee opkopers en als laatste een rotterdammer met een soort theehuis-leeszaaltje gevonden. Deze was zo arm dat ik me zorgen maakte of hij met zijn wrakke otootje,  ruim boven capaciteit volgeladen, nog thuis zou komen, maar voor het eerst was ik echt tevreden met de transactie, want hij was als een kind zo blij met de laatste helft van een al door twee professionals afgeschaafde collectie, die hij toch maar mooi voor dat povere stapeltje vijfjes en muntjes van twee mocht meenemen.
Hierin zat voor mij de echte leerschool. Dat die eerste opkopers zulke afgevlakte pokerspelers waren leek me een toevallige eigenaardigheid. Maar ze bleken allemaal zo te zijn! Allemaal even afgemeten, allemaal even emotieloos en lijzig, allemaal even gereserveerd en versteend van angst om van enig enthousiasme voor de koopwaar, hun levensbloed, blijk te geven. Wat een vreselijk volk! En ze spannen samen: bij een van de partijen wou ik er twee tegelijk laten komen, een voor de kunstboeken, een voor de rest. Bellen ze allebei af, want ze spraken mekaar en wilden niet tegen elkaar uitgespeeld worden, terwijl er genoeg te halen was voor een half dozijn van die uitgedroogde serpenten… Ik ben later bij een van hen langsgegaan en heb hemel en aarde moeten bewegen om Zijne Uitgedroogdheid zover te krijgen alsnog te komen kijken.
Ooit heb ik er serieus overwogen om met deze handel door te gaan, maar deze kennismakingen waren genoeg om me van dat idee af te helpen: als ik had doorgezet was ik ook veranderd in een reptiel.

Op avontuur

Ik kan maar moeilijk begrijpen wat mensen aantrekt in reizen. Ze doen zichzelf wat aan! Is het nou zo leuk om de weg niet te weten, te verbranden en zonder enig respijt afgeschaafd te worden in een hel van anderen, dom, lelijk, onverstaanbaar en out to get you? Is het landschap overal elders zoveel indrukwekkender, zijn ze er zoveel aardiger, is het eten zoveel lekkerder of ruikt het er zoveel beter? Nee natuurlijk, en aan de leegte, de voelbare aanwezigheid van je gebrek aan inhoud, ontkom je ook al niet… Geef toe, het beste aan reizen is weer thuis te zijn.
Ik wil één uitzondering maken. Ik moet er ver voor terug, maar dit was een ontdekking die als de dag van vandaag in mijn geheugen staat gegrift:
De brochure beloofde al iets buitengewoons: een zeegezicht zonder bebouwing, weelderige begroeiing, woeste luchten… een prachtig bij elkaar passend stel staart in de verte, gearmd… Ik doe de folder open, haal de inhoud eruit, leg deze op de machine, zet de koptelefoon op, strek me uit op bed…
… En daar komt het al over me, ruisend, met een rustgevende onregelmatigheid aanzwellend en afnemend, naderend en verstervend. Een plaatsbepaling, een kleine mededeling door plukbassen… een kletterende klets electrische piano… en daar de zilveren stem, helder, volkomen zeker, een baken in het landschap, spreekt van vervoering en verbijstering, zaligheid en verlorenheid, zwijgt, laat het over aan de golven van het ensemble, af en aan in een onweerstaanbare gang, het tij, de onderstroom, de kalmerende, hypnotiserende golven…
Twintig minuten nemen ze me mee en nooit ben ik zo ver weg geweest. Een vriendelijk tikje in de laatste groef herinnert me eraan dat ik nog op aarde ben, in een aanbouwtje van een garage in de charlottedebourbonlaan in zeist. Maar ik ben er niet meer. Iets heeft afscheid genomen. Ik ben vertrokken, op zoek naar streken waar je je verlangen kunt aanraken en niemand iets anders van je wil dan je liefde en je aandacht. Ik heb heksenbrouwsel gedronken en kan niet meer terug. Vaarwel materiële wereld, ik ben een schim geworden.

Enkele suggesties voor een gedeplutocratiseerde wereldbegrenzing

Altijd wanneer je leest over de onmaatschappelijke gedragingen van de zichzelf boven ons gesteld hebbenden stuit je op dezelfde locaties, ontvangst- en verwerkingscentra van de opbrengsten van uitbuiting en speculatie door hen die geen natuurlijke behoeften meer hebben, maar alleen nog gedreven worden door een morbide drang tot meer: meer dan nodig, meer dan anderen, meer dan zijzelf gisteren.
Om deze leegzuigers en wegsluizers de voet dwars te zetten wordt het tijd voor de sanering van een aantal territoriale anomalieën, bizarre uitlopers van de geschiedenis die nergens goed voor zijn en alleen de leprose belangen van het teveel dienen.
Ik nodig de lezer uit tot een vrijzwevende overpeinzing: aan welke staten kleeft tegenwoordig de meeste corruptie; waar worden de vuilste handen gemaakt wanneer het gaat om de facilitatie van schunnige streken en het geweld van het gore geld? En hoe kun je met weldoordachte nieuwe grenzen deze stankbellen dempen? Laten we even vergeten of deze puante uithoeken “democratisch” of “historisch gegroeid” zijn en inventief nadenken over een betere indeling. Enkele suggesties:

Monaco, Luxemburg, Kanaaleilanden, Wallonië inclusief Brussel: onder beheer stellen van Frankrijk.
Andorra en Gibraltar: integreren in Spanje.
Corsica, Vaticaan, san Marino, Zwitserland en Malta: voegen bij Italië.
Cyprus: in zijn geheel naar Israel.
Brabant en Limburg: in een unie met Vlaanderen.

Natuurlijk stopt het denken hier niet. Verdere voorstellen:

Benedenwinds Caribië: naar Venezuela.
Bovenwinds Caribië, inclusief strontgaten als Curacao, Caimans en Puerto Rico: naar Cuba.
China en Taiwan: naar Tibet, laat ze allemaal in het klooster gaan en ophouden de wereld te overspoelen met zinloze troep.
Zuid-Amerika: federeren tot de Etados Unidos del Soya: feed the world!

Dit waren zomaar even een paar ideetjes. Misschien lijkt het alsof voormalig Groot-Brittannië er bekaaid vanafkomt, maar dat is slechts schijn: men heeft zich er afgekeerd van iedere vorm van internationalisme en wil het dus graag zelf.
Aan Afrika, het ultieme verloren kutkontinent, met de meeste koloniaal-irrationele grenzen en zonder ook maar één staat die iets goeds met zijn inwoners voorheeft maak ik verder geen woorden vuil.
Laten we ons in deze postkoloniale tijden inzetten om de menigte van territoriale vergissingen van de kaart te poetsen en te streven naar een ordening van ons steeds overzichtelijker wordende planeetje die de verbergers van smerig geld, oorlogsmisdaden en andere foute zaken geen kans geeft. Noem mij dan maar een idealist, ik kan ertegen…

Kunst, geen kunst

Ik houd van deze aanduiding voor een bepaald genre al te makkelijke pseudocreatievelingen, zich verschuilend achter het echte werk en vliegend op de vleugels van de onwetende onoordeelkundigheid van een mak, snobistisch en angstig-conformistisch publiek: vondstenaars.
Meestal manifesteren deze laffe sujetten zich met extreme uitvergrotingen van banale, alledaagse voorwerpen: badeendjes, drollen of, zoals in het beruchte geval van de door holtorrendom geobsedeerde californiër Mccarthy, aarspluggen. U kent hem van de reetkeverkabouter van Rotjeknor.
De man die het zelfreinigend vermogen van de Parijzenaar onderschatte door een vijfentwintig meter hoge groene opgeblazen anaalbarrière op de place Vendome te plaatsen, waarvan na een dag de steuntouwen werden doorgesneden. De opblaaskunstenaar kreeg klappen van een toevallige voorbijganger en zag in zijn naïviteit verbijsterd af van de her-erectie van zijn stijlvolle poenpakpakket.
Dat ik bepaald niet alleen sta in mijn afkeer van deze goedkoop rijk wordende heteluchtballonvaarders en de kliek van bewonderaars, vermarkters en valse profeten die eromheenhangt moge bewezen worden door de volgende uittreksels van een woedend artikel uit alweer dat blad met de emblematisch-franse naam, door een gastschrijver deze keer:
“… Niet verbazend dus dat in een dergelijke algehele staat van schizofrenie de hele soft-linkse pers van het soort Obs, Monde, Liberation zich in dienst stelt van het grote boze kapitaal dat zij verafschuwt, koppig niets anders besprekend dan het dozijn Parijse galeries dat Fiac- en Art Basel-waardig is, de sterren van de internationale businesskunst… Terwijl ze beter zouden kunnen reppen van de honderden kleinere galeries, die misschien minder opbrengen als onderwerp, maar een democratisch en heilzaam alternatief vormen op de destructieve hegemonie van de megagaleries en de grote veilinghuizen.
… De schrijvende kunstkritiek in Frankrijk is tegenwoordig globaal een van de lamentabelste en schadelijkste ter wereld, vermorzeld en onderhorig gemaakt aan de institutionele Duchamposfeer en het bijbehorende plutocratencircuit. Een historische ramp, waarvoor de verantwoordelijke drieëenheid van curatoren, verzamelaars en galeries zich moet schamen, net als het ministerie van cultuur, dat van harte meewerkt aan de ontworteling van zin en richting in het denken over kunst, ten behoeve van het privébelang, waar het zichzelf verplicht zou moeten zijn de algemene middelen in te zetten voor het behoud van het levende weefsel van de kleine en middelgrote galeries en de 95% van de kwaliteitskunstenaars die in dit grof onredelijke systeem buiten de boot vallen.
… Er is een onmisbaar werk van journalistiek en sociologisch onderzoek nodig, om de mechanismen van de intellectuele en financiële overwaardering van de onzin ten koste van de werkelijke, menselijke kunst te verkennen, beschrijven, analyseren en tonen. Helaas is het territorium van de nonsens, het onrecht en het ontkennen van de realiteit nog taboe en verboden voor nadere studie. Moge dit artikel bijdragen aan het ondergraven van dit verbod.”
Uit: réquisitoire contre les critiques d’art, Nicole Esterolle, Marianne 1128 blog: schtroumpf-emergent.com (de rijzende smurf!)

Verhakseld

Een paar dagen geleden werd onze rust nogal ruw verstoord. Nou gebeurt dat wel vaker, de meestvoorkomende vorm van volksvermaak hier is het diep intrappen van het gaspedaal van zwaargeschapen tractoren en dat levert een gebrul op dat je van een kilometer hoort aankomen. Maar dit was dichterbij. Dit was een geronk en gekletter dat werd veroorzaakt door een authentieke extremist van het aardse rendement, een maximalist van de opbrengst tot de laatste halm, een grondoverweldiger tot de laatste vierkante decimeter, bezig om de rand van zijn veld met het grofste mechanische geweld vrij van begroeiing te maken. Het resultaat kunt u hierboven bewonderen.
Ik woon tegenwoordig, en dat weet ik, in een katholiek land, met een reputatie van gedweëe transcendente volgzaamheid. Maar dit gaat wel erg ver… Dat iemand die van de uitpersing van de aarde zijn beroep heeft gemaakt en verdwaasd is geraakt in de psychose van het maximumrendement zo ver gaat is zelfs voor mij verbluffend. Dit was een boompje met gezonde levenskansen, op weg om schaduw te bieden, en voedzame kastanjes voor wie de moeite zou nemen ze op te rapen. En nu niet beter dan een toevallige crucifix, door god en jezus verlaten, geschapen door de mechanische onverschilligheid van een hakselende hufter…
Dan moet ik toch echt even sentimenteel worden en zeggen: ik ween om boompjes in de knop verhakseld door lompe boeren! Grr, dit zal me motiveren! Vrijdag na zonsondergang ga ik gehoor geven aan de oproep van Charlie Hebdo en er staan: tegenover het gemeentehuis, waar een collega-boer de parttime-burgemeester is… Een klaproos in mijn knoopsgat, brullend dat het genoeg is; klaprozen willen we, en weg met de alles wat leeft vergiftigende en verhakselende aardverkrachters. Wat zij bedrijven is geen landbouw meer, maar ecocide!
Ach, pardon reeds, ik liet mij even gaan… Mijn vrouw, die soms wijzer is dan ik, waarschuwt me: die boeren hier zijn de mafia; ze kunnen ongehinderd misdaad op misdaad stapelen en niemand houdt ze tegen… Pfff ja, misschien, maar ik wil niet voor ze op mijn rug gaan liggen… Er moeten manieren zijn om deze tak van criminaliteit te stoppen… Ik ga het vrijdag aan mijn mede-getergden vragen.

Naschrift

We stonden er, met ons klaproosrode otootje op het gemeentehuisplein, Chemical Warfare van de Dead Kennedys schallend uit de raampjes, geduldig wachtend op medestanders om mee te beraadslagen, een nootje uit eigen tuin aan te bieden… niemand kwam. We zijn een illusie armer weer naar huis gereden. Ook in Frankrijk zijn de voornemens wel eens wat hooggestemder dan de praktijk.