Uitgelicht

Waarde Lezer

Op deze bladzijde kunt u een groeiend aantal beschouwingen vinden van de nog niet zo bekende schrijver L.H. Zoutewelle. Daarnaast fragmenten uit zijn vertalingen van de Frans-Roemeense geweldenaar Emil Cioran.

nb: foto’s en afbeeldingen door A.M. van Buren, tenzij anders vermeld

Advertenties

Einde

Cioran werd te vroeg de wereld in geslingerd om een klimaatpessimist te zijn, of zelfs maar een doemdenker uit de club van Rome. Die verschijnselen had hij niet nodig, hij was zijn eigen profeet van het pessimisme. Aan het einde van het précis gekomen is het denkbaar dat zelfs de trouwste lezer gaat snakken naar een oplossing. Daar komt hij:

 
6.33 optocht

De mens is aan het einde van een doodlopende weg beland, in de berm, naast zijn instincten. Hij liep zich voorbij om zijn einde te halen. Dier zonder toekomst, weggezakt in een ideëel drijfzand, verloren gegaan bij zijn eigen spel. Verstard in prestatiedwang kan hij alleen nog wat dwaasheden herhalen, ervoor boeten en wat nieuwe verzinnen. Zij voor wie zelfs deze toevlucht niet openstaat zeggen:

Wij zijn ontwend, mens te zijn. Zijn we nog een stam, een ras, één of ander gebroed? We zijn ontsnapt aan de soort: onze intelligentie radbraakte ons gebeente en reduceerde ons tot een afgevlakt bestaan. We zijn uitschot zonder ruggengraat, vastgeplakt aan de materie, haar bevlekkend met ons kwijl tussen de slakken. We naderen ons lachwekkende einde, wij gaan boeten voor het misbruik van onze gaven en onze dromen. Leven was niet ons deel, ontsnapping was onze vervoering: het wreekt zich en sleept ons mee naar een onderwereld: een optocht van ondermensen naar een onderleven.

O ja, vooruitgang…

Cioran waarschuwt nog één keer: trap er niet in, laat je niet gek maken, het hele idee is een luchtspiegeling…

 
6.31 Holbewoners

Een generatie kan alleen iets nieuws produceren door te vertrappen wat uniek was aan de vorige. Voor tijdperken geldt dit nog sterker: de renaissance heeft de diepte, de waanzin, de barbarij van de middeleeuwen niet kunnen redden; de verlichting heeft van de renaissance alleen het gevoel van universaliteit behouden, het pathos ervan verdampte. De moderne illusie heeft de mens in de bekrompenheid van het worden gedompeld, hij heeft zijn basis in de eeuwigheid verloren.

Iedere verovering is een verlies, een beperkende bevestiging. Iedere nieuwe kunst vestigt zich op de puinhoop van de voorafgaande, iedere kunstenaar is een verrader van zijn voorgangers. Er is geen superioriteit in de geschiedenis, de stromingen wegen tegen elkaar op. Men is alleen iets door uitsluiting van al het andere: geen mens kan orde en wanorde, abstractie en directheid, geestdrift en fatalisme in zich verenigen. Tijdperken van synthese zijn niet scheppend, ze vatten de drift van de andere samen; verward, want ieder eclecticisme is een indicatie van het einde.

Op iedere stap vooruit volgt een stap achteruit: dat is het vruchteloze gespartel van de geschiedenis. Wording… in stilstand. Dat de mens zich liet bedriegen door de luchtspiegeling van de vooruitgang maakt zijn pretentie van subtiliteit belachelijk. In de hygiëne bestaat er zoiets, maar verder? Wie zou werkelijk kunnen kiezen tussen het stenen tijdperk en dat van de moderne techniek? We staan net zo dicht bij de aap in het ene als in het andere: wij klimmen boven de wolken om dezelfde redenen als we eerst in bomen klommen. Alleen de middelen van onze nieuwsgierigheid zijn veranderd, onze vermomde reflexen zijn op meer manieren roofzuchtig.

Een periode aanvaarden of verwerpen is onnozel. We moeten de geschiedenis als geheel aanvaarden of verwerpen. Het idee van vooruitgang maakt ons tot verwaande snobs op de toppen van de tijd. Maar die toppen bestaan helemaal niet. De holbewoner die beefde van angst in de grotten beeft nog steeds in de wolkenkrabbers. Ons kapitaal aan ongeluk blijft intact door de eeuwen, ons enige voordeel is dat we het beter belegd hebben, omdat onze rampzaligheid beter is georganiseerd.

Ode aan een oude vriend

Cioran doet het weer: bekentenis, gespeeld-onschuldige vriendelijkheid, satire, sarcasme en sentimentaliteit, alles verpakt in een paar alinea’s. Ik ken geen schrijver die zoveel lagen in een klein schrijfseltje weet te verpakken. Geniet u van:

 

6.30 opnieuw geloven

Ik heb mijn menszijn versleten, alles is nutteloos geworden. Ik zie alleen nog maar kuddedieren met een ideaal, samendrommend om hun hoop uit te blaten. Zelfs wie niet in de gemeenschap leefde dwingt men tot postume participatie: zo heeft men de gemeenschap van de heiligen verzonnen.

Op zoek naar een werkelijke solitair vind ik alleen de duivel. De rede verbant hem, het hart roept hem aan. Prins der duisternis, verdoemde, vijand, al die namen die zijn eenzaamheid onteren… Ik houd van hem sinds men hem elke dag uitbant. Kon ik hem maar in zijn oude luister herstellen!

Ik geloof in hem met heel mijn onvermogen tot geloven. Zijn gezelschap is noodzaak voor mij, ik heb me verplicht naar zijn eenzaamheid te streven: mijn vermogen tot bewondering dwingt me ertoe, uit angst om anders ongebruikt te blijven. En daar sta ik dan, tegenover mijn voorbeeld: ik smeed een andere eenzaamheid dan de mijne, die niet totaal is. Het is mijn manier om nederig te zijn. Laat men god vervangen zoals men wil, elke god is goed, zolang hij ons verlangen naar een kapitale eenzaamheid bestendigt.

Au!

Hier dan Cioran’s beschrijving van “het geval” Sartre. De schrijver en de beroemde filosoof waren beide regelmatige bezoekers van het café de Flore, toen Cioran nog een volkomen onbekende was. Ze hebben elkaar nooit gesproken, en misschien is dat maar beter ook, want het zou na publicatie van dit portret een ongemakkelijke conversatie zijn geworden… Mijn herschrijving, met weglating van een paar tussenzinnen en minder noodzakelijke uitweidingen, mist zijn effect niet: ik sta er zelf versteld van hoe venijnig het stuk is geworden!

6.26 over een uitbuiter in ideeën

Hij probeert alles en alles lukt hem: de kunstgrepen van het intellect, het aansnijden van alle onderwerpen in de geest en de intellectuele mode, het verbluft en moet verbluffen. Geen probleem dat hij niet beheerst, geen verschijnsel dat hij niet begrijpt, geen beproeving die hij niet overwint.

Hij is een veroveraar met maar één geheim: zijn gebrek aan emotie. Hij pakt alles aan, maar legt geen enkel eigen accent. Zijn formules zijn schitterend, maar onpersoonlijk. Indeling smoort de ervaring: hij ontwerpt kaartenbakken voor rampen en zorgen en begraaft er de wederwaardigheden en de poëzie van de verscheurdheid van de mens. Hij maakt het onherstelbare tot een systeem, als een massaproduct uit een fabriek. Het publiek loopt ermee weg, de leeglopers op de boulevard vreten het.

Hij is een denker zonder noodlot, volkomen leeg en wonderbaarlijk ruim. Hij buit zijn denken uit, wil het op ieders lippen zien. Hij wordt niet door enige noodzaak gedreven: als hij in het tijdperk van het materialisme had geleefd had hij er de kleurloosheid van aangenomen; in de romantiek zou hij een catalogus van dromen hebben geredigeerd; als theoloog zou hij god hebben gehanteerd zoals ieder ander concept.

Hij behandelt de grote problemen met een verwarrende handigheid: opmerkelijk in alles behalve authenticiteit. Hij is door en door a-poëtisch: hij huivert niet wanneer hij over het niets praat, zijn walging is beredeneerd, zijn wanhoop is beheerst en achteraf bedacht. Tegelijk is zijn wil zo efficiënt, dat hij dichter zou kunnen zijn als hij dat wilde, en heilige als hij ernaar zou streven.

Daar hij geen eigen voorkeuren of vooroordelen heeft zijn zijn meningen toevallig. Alleen van belang is de loop van zijn denken. Hij zou van de kansel kunnen prediken, zozeer stelt hij zich boven en buiten alle waarheden, beheerst hij ze en zijn ze hem niet noodzakelijk of eigen.

Hij vordert als een ontdekker en verovert domein na domein. Zijn stappen zijn ondernemingen; zijn brein is geen vijand van zijn instincten. Hij onderscheidt zich doordat hij de versterving niet kent die de verlangens verlamde bij de anderen. Hij belichaamt de tegenstrijdigheden van zijn tijd, de nutteloze overvloed, en toen hij hem begon te veroveren legde hij daar zoveel consequentie en koppigheid in dat zijn succes en faam die van het geweer evenaren en de geest verwijden met middelen die haar tot dan toe onbekend of onverdraaglijk waren.

Ach, kleding

Cioran, woonachtig in de wereldhoofdstad van de mode, leek er niet veel mee op te hebben. Hij was altijd netjes gekleed, maar meer uit beleefdheid dan uit overtuiging, getuige het volgende:

 
6.24 kleding

Met tederheid en afgunst denk ik aan woestijnmonniken en cynici, hun afkeer om over het minste voorwerp te beschikken. Kleding staat tussen ons en het niets. Kijk in de spiegel en zie uw sterfelijkheid, laat uw vingers over uw ribben gaan en zie hoe dicht u bij uw graf bent…

Het is omdat we gekleed gaan dat we ons een illusie van onsterfelijkheid aanmatigen: wie een stropdas draagt kan niet sterven. Wie een hoed opzet kan niet tussen ingewanden gegroeid zijn, of door wormen worden opgegeten…

Het lijk dat zich uitdost herkent zich niet. Vlees bedekt de botten, kleren het vlees: uitvluchten van de natuur en van de mens. Een heer kan niet gekneed zijn uit slijk of stof! Waardigheid, eerzaamheid, fatsoen, allemaal vlucht voor het onherstelbare.

Dat is waarom ik de plunje vaarwel wil zeggen. Ik zal de tijd ontvluchten dat ik me, zoals de anderen, inspande om me te verloochenen. Kluizenaars ontdeden zich van alles om één te worden met zichzelf, in de woestijn of op straat. Zich verheugend in hun berooidheid bereikten ze het hoogste geluk: ze evenaarden de doden.

Slapen of sterven

Cioran was een ernstig geval van chronische slapeloosheid. Het stelde hem in staat om, met de in dit zeldzame geval niet mythomane woorden van Jan Siebelink, een prins van nachtelijk Parijs te zijn. En dit stuk te schrijven, dat zonder eigen ervaring niet mogelijk was geweest…

6.21 slapen of sterven

Ik was zeventien en geloofde… in de filosofie. Het concrete: een bevlekking! zich verheugen of lijden, een schande! Alleen abstractie was het leven. Alleen het bordeel was verenigbaar met de metafysica.

En toen kwam de slapeloosheid mij opschudden en liet me het gesnurk van de gezondheid horen, terwijl mijn eenzaamheid groter werd dan het donker om mij heen. Geen dageraad meer, elke nacht leek eeuwig. Ik voelde mij solidair met alle onbekenden die niet sliepen. Net als verdorvenen en fanatici had ik een geheim, een clan om alles aan te geven, vergeven, alles voor op te offeren: de clan der slapelozen.

Ik deed een beroep op de filosofie, maar geen enkel idee biedt troost in het duister, geen systeem doorstaat de waken. De analyses van de slapeloosheid slopen de zekerheden. Doodmoe van deze afbraak stond ik op het punt om te zeggen: de slaap heroveren of verdwijnen, slapen of sterven.

Maar de herovering is niet makkelijk: wanneer men deze nadert wordt pas duidelijk hoezeer men is getekend: liefhebben wordt een nachtmerrie van verrukkingen, het denken wordt een uitgebraakte lava, de geest is slachtoffer van de humeuren en staat buitenspel. Men zal onder alles mateloos lijden: briesjes lijken windstoten, glimlachjes oorvijgen, kleinigheden natuurrampen.

Want het waken kan ophouden, maar het licht leeft in u voort: men ziet niet ongestraft in het duister, wat men er leert is niet zonder gevaar. Er zijn ogen die niets meer kunnen leren van de zon, er zijn zielen die ziek zijn van nachten waarvan ze niet meer genezen.

Simpel

Soms lijken de stukken van Cioran zo eenvoudig… maar vergis u niet, er schuilt altijd een dosis venijn of een contra-intuïtieve strekking onder de oppervlakte. Zou deze ook zo zijn?

 
6.19 simpel

Waarheid: luister hoe iemand dat woord uitspreekt, de toon van zekerheid of voorbehoud die hij erin legt, de nuance van geloof of twijfel, en u weet meer over de aard van zijn meningen en de kwaliteit van zijn verstand.

Er is geen holler woord, maar mensen maken er een afgod van en zetten de onzin ervan om in maatstaf en doel van het denken. Het is een bijgeloof dat komt van een inbreuk van de hoop op de logica: vreselijke overweldiging van de taal! Men blijft zeggen dat de waarheid ontoegankelijk is, maar dat men ernaar moet streven, haar moet zoeken, zich ervoor inspannen. Maar dat is een voorbehoud waardoor men nauwelijks verschilt van hen die beweren haar gevonden te hebben.

Simpel van geest noem ik eenieder die met overtuiging over de Waarheid spreekt. Hij deelt hoofdletters uit en bedient zich er onnozel van… Bij de filosoof die deze afgoderij dient heeft de burgerman het gewonnen van de solitair. Hoop die oprijst uit een gedachte, dat stemt verdrietig of doet glimlachen. Het is dwaas om teveel gevoel te leggen in grote woorden, elk enthousiasme voor kennis is infantiel. Laat de filosofie zich, door de waarheid in diskrediet te brengen, bevrijden van alle hoofdletters.