Uitgelicht

Waarde Lezer

Op deze bladzijde kunt u een groeiend aantal beschouwingen vinden van de nog niet zo bekende schrijver L.H. Zoutewelle. Daarnaast fragmenten uit zijn vertalingen van de Frans-Roemeense geweldenaar Emil Cioran.

nb: foto’s en afbeeldingen door A.M. van Buren, tenzij anders vermeld

Moderne neurosen

Wie wel eens met iets anders bezig is dan zichzelf weet: dit is de tijd waarin narcisme de hoofdzonde is geworden. Massaal blazen nullen zichzelf op. Grote Belangrijke Nullen geworden, zullen ze alles doen om te ontkomen aan de Man met de Speld, die niets dan wat verstrooide flarden van hen over wil laten. We laten hem even zijn werk doen…

Autisme: het lijkt een volksziekte geworden, iets vreselijks en onontkoombaars, maar is het eigenlijk niet simpelweg een eufemisme voor mislukte socialisatie? O, hoe gretig begint de zelfbenoemde autist zodra hij de kans krijgt te kakelen over zijn syndroom, het resultaat van zijn falende ontwikkeling! Dat doet hij natuurlijk duizend keer liever dan manieren te leren…

Perfectie: laat dit een speeltuin voor spotters zijn. De zucht van wie geen imperfectie kan verdragen. Voorwaarde: een geperfectioneerde blindheid, onmisbaar voor wie de ratterige rafeligheid van het bestaan maar hinderlijk vindt. Het moet buitengewoon bijzonder zijn om in de perfectiebubbel te verkeren, gezien de opofferingen die men zich ervoor getroost. Realiteitsbesef? Dat is iets voor cynici.

Slachtofferschap: wie gaat eindelijk het boek schrijven waarin voor leken wordt verklaard hoe dit van een te verzwijgen schande tot een begerenswaardige en massaal nagestreefde status is opgeklommen? Hoe is het mogelijk dat ieder rund dat onvergeeflijke stommiteiten heeft begaan of ondergaan zich verheven acht boven wie zich zonder aandachttrekkerij weet te redden? Het is tekenend voor de achteruit kachelende weerbaarheid van een gemeenschap als bezeerde gekwetsten een publiek krijgen alleen omdat ze lawaai maken. Hoe ziek is een samenleving die zich laat chanteren door mislukkelingen met een grote bek?

Solipsisme: het was ooit een zeldzaam en alleen bij psychiaters bekend fenomeen. Nu gaat ieder hinderlijk stuk niks ervan uit dat het alles is, de norm der dingen, en iedereen zich maar moet aanpassen aan zijn uitzinnige visie van zichzelf en van wat wenselijk is.

Samengevat: maatschappelijkheid is hard bezig achterhaald te worden. Socialisatie, voor zover nog van toepassing, bestaat voornamelijk uit het pantseren van het ego, waarachter een kolkend vacuüm van ontbrekende ontwikkeling en een bestiaal gevoelsleven schuilgaat. Je gaat je bijna afvragen of de mens ooit niet hatelijk is geweest

Misantropisch credo


Niets hebben ze je te bieden dan achterbaksheid en verraad.

Wees vriendelijk voor ze en ze trekken je leeg.

Werk voor ze en ze zeiken achter je rug over je zweetlucht.

Probeer je in ze te verdiepen en je verzinkt in een wereld van waanzin.

Probeer langer dan een seconde naar ze te kijken en je ziet een gapend niets.

Ik kan niet geloven hoe rot ze zijn, ik kan er de zekerheid niet van verdragen.

Het enige wat ik wil is los van ze zijn.

Geef me de eenzaamheid, de vogels en mijn hondje.

Erbij

Ik was op tijd wakker om het te zien. Het brommende geluid van een tractor, stilstaand op het veld voor ons huis. De armen spreiden zich, de tank met troep zit vol, de smerigheid begint door de gaatjes te stomen…

Maar er is iets aan de hand: de inzittende, een onappetijtelijke schooier die er nochtans niet ongezond uitziet, stapt uit en loopt naar achteren om te controleren of de output wel gelijkmatig is. Blijkbaar is het ok, want hij stapt weer in en begint zijn verspreiding.

Hierover laat ik mij niet meer voorliegen. Ziet u de streep die van de telefoonpaal deze kant uitloopt: dat is waar een iets te grote portie van de verspreide smerigheid naar beneden is gekomen. Dat is echt geen onschuldig kunstmestje geweest…

Zo gaat het hier: stommelingen die geen idee hebben van de gevolgen van hun handelen vergiftigen klakkeloos de velden… en zichzelf. Hun beroepsorganisatie zet zich schrap om het komende glyfosaatverbod te saboteren, de propagandacampagne is al gaande. Wie zich verzet krijgt de volledige verrotte institutionele orde, van boerensyndicaat tot prefect en minister van landbouw tegen zich.

Maar zo zal het niet blijven. Ik woon aan de rand van een dorp van, ik kan de conclusie niet ontwijken, achterlijke boeren, maar beter geïnformeerde lagen van de bevolking zijn het beu: in grote steden krijgen de ecologenpartijen voet aan de grond. Helaas, het is wel links hè, verliezen ze zich in symboolpolitiek en nemen ze het op voor de verkeerden in hun messianistische slachtofferverheerlijking, maar het is een teken aan de wand: op een dag zal het zelfs in Poullaouen doordringen dat het anders kan, of zelfs moet. Tot die tijd houd ik de windrichting in de gaten wanneer er weer zo’n hersenloze gifspuiter bezig is.

Bramen en mensen

Ze hebben het tij mee: een van de gevolgen van de woekerende industrielandbouw is een overvloed aan stikstof, die overal neerslaat en hun groei begunstigt. Ze nemen iedere vierkante meter in en haken zich vast met al hun tentakels.

Jarenlang hebben ze hier hun gang kunnen gaan: ik kocht mijn huis van mensen die zelden aanwezig waren en meer van wijn zuipen dan van tuinieren hielden. Jammer, want het terrein is in aanleg een paradijsje. Zeven plagen hebben er zich genesteld: paardebloemen, brandnetels, pispotjes… Maar de bramen spannen de kroon. Ze zijn het hardnekkigst, het opdringerigst en het hinderlijkst.

Ik maakte me los van de ene plaag en weer me tegen de andere. Ieder voorjaar ga ik in de sisyfusmodus, trek handschoenen aan, bewapen me met drietand en sikkel en zwoeg. Ze verzetten zich tegen me: hun doorns teisteren mijn handen en armen, nestelen zich in mijn haar…

Mugjes prikken mij lek. Ik vloek maar laat me niet kennen. Bergen afval hopen zich op. Ik verzet ze. Bij hun ontbinding komt meststof vrij voor de bomen. Ze zijn een natuurlijke erfscheiding, geen levend wezen waadt graag door bergen bramen.

Het zijn er zoveel dat ik mijn inspanningen moet bemeten. Ik zou ze tot het laatste worteltje moeten uittrekken, maar dat is niet te doen. Langzaam maar zeker weet ik de directe omgeving van het huis braamvrij te houden. Daar is een paar keer per jaar een inspectie- en uittrekrondje genoeg.

Daarna begin ik de eerste linie struiken eromheen, die vreselijk overwoekerd was, van het kruipende kwaad te verlossen. Ik wring me in bochten en rek en strek om de wortelklonten eronder uit te trekken. Bittere ervaring leert me dat alleen afsnijden het echte sisyfuswerk is: een jaar later staan ze er vrolijk weer. Daarmee ben ik nu bezig: ik herover vierkante meters en geef de struiken lucht en vrijheid. Ik zie dat de vogeltjes mij dankbaar zijn. Blij dat ik dat voor ze kan doen.

–oOo–

Ze denken het tij mee te hebben. Er is geen hoekje van de planeet dat niet door hen is aangetast. Overal waar ze hun neus laten zien wijkt het leven. Hun zogenaamde beschaving is een eufemisme voor bezetting, vervuiling en afbraak. In hun grenzeloze aanmatiging hebben ze zich “vrijgemaakt”: ze zijn nergens meer thuis, doof en blind geworden voor hun omgeving. Die zucht onder hun terreur: hun troep, hun stront en lawaai, hun stinkende aanwezigheid.

Het is te betreuren dat de natuur geen georganiseerd bewustzijn heeft. Hoe kan ze zich weren tegen haar plaag, haar aberratie? Hoe bestrijd je de klakkeloze arrogantie van een gesel die zich goed voelt? Op een dag zal er een achterhoede van illusieloze vuilnisruimers komen, die sikkels pakken, bijlen of hamers. Laat hen grondig aan het werk gaan en al het overbebreinde onkruid uit de aarde trekken, tot er geen worteltje meer van over is.

De grote schifting

Ik ben god en ik vind dat het genoeg is.

Alle ruimte hebben jullie gehad om er wat van te maken. En wat werd het? Een stinkende, rokende puinhoop. Het is duidelijk: jullie kunnen je bederf niet beheersen.

Hoofdbrekens bezorgen jullie mij. Ach, die goede oude tijd toen ik kon zien en denken dat het goed was! Nu zal ik moeten schiften: het koren kan kiemen maar het kaf moet weg. Ik ga op zoek naar bloemen op de vuilnisbelt.

Maar wat moet ik me door een korst van rotsvast aangekoekte rotzooi worstelen om een glimp van menselijkheid te zien! Wat een hermetisch systeem van ontmenselijking en vervreemding hebben jullie gebouwd, koppig strevend naar rottigheid…

Het eerste wat ik je ga afnemen is je ego. Je staat niet op eigen benen, je bent geen individu. Je toont dat je de opgave niet aankunt, te worden hoe ik je bedoeld heb. En je bent niet eens een radertje of een onderdeel, zelfs dat idee heb je tot een leugen gedegradeerd, een excuus, een vlag op de modderschuit van je grenzeloze beperktheid.

Ik ken geen betere naam voor je dan parasiet. Je zuigt je omgeving leeg en laat niets achter dan uitgebeende karkassen. De notie dat ik je verzonnen heb om iets te brengen is je volkomen vreemd.

Een soort ballon ben je: je blaast jezelf vol eigendunk en matigt je rechten aan die op niets gebaseerd zijn, maar je een voorwendsel geven om je heerszucht uit te leven, een wanstaltig grote bek op te zetten en blind te worden voor je nietigheid en de absurditeit van je pretenties.

Je wordt alleen maar erger… Je laat je voorstaan op je gebreken, je verheft je status van slachtoffer tot onaantastbaarheid en krijst als een uit zijn proporties gebarsten baby tot je wezenloze soortgenoten je je zinloze zin geven.

Je verzint klaterende, schetterende drogredenen om je boven anderen te stellen: afkomst, geloof, politieke oriëntatie. Holle verzinsels, verbale stokken om je honden van soortgenoten mee te slaan en je zelf een hele baas te wanen.

Je ambitie is verzand in begeerte: de roofzucht die een monster van je maakt en alles binnen je bereik aantast. Het paradijs dat ik je gaf is in een giftige hel veranderd. Je schiep een ontaarde orde, waarin de grootste monsters de rest tot robot reduceren, nog net goed genoeg om voor een paar rotcenten het sloopwerk te doen.

Een meelijwekkend misbaksel ben je, een klakkeloze vervalser van alles wat de moeite waard is. Ik keer terug op mijn schreden: er is geen redding denkbaar, ik laat je soort verdwijnen.

Misantropie, voor hypocrieten verklaard

Van jongs af aan weet ik dat ik tot een soort behoor die uit riekende mest gekleid is. Het is dan ook met verbijstering dat ik hoorde van dat gebod om de ander lief te hebben als jezelf. Misschien omdat ik mezelf niet tot maat der dingen neem, maar vooral omdat de anderen die frase tot een onwereldse absurditeit reduceren.

Iedereen die leeft heeft een lange serie brutaliteiten moeten slikken, een kolossale sliert vernederingen moeten ondergaan, een ellenlange reeks krenkingen moeten verteren. En terecht! De grootste dwaasheid is denken dat je wel of niet verdient wat je krijgt, de grootste zelfoverschatting dat je nooit enige schade aanricht in andermans porseleinkast.

Schril wordt het pas echt bij wie zijn teerheid cultiveert. In iedere beledigde gist de agressie, achter iedere aanstoot schuilt de intolerantie, onder iedere teergevoeligheid sist een militant narcisme. Stinkende innerlijke resten hopen zich op bij gebrek aan vuilverbranding. Wie zichzelf niet weet te verzengen besmeurt de wereld met zijn drek.

Ik heb altijd een hekel gehad aan het woord hygiëne. Niet door het woord zelf, maar door hen die er de mond vol van hebben. Luister maar: nooit hebben ze het over het algemene welzijn zonder zichzelf de hoogte in te steken: zij deugen want zij weten zich schoon te houden. Breid deze houding uit naar het sociale en je zakt in een moeras van alledaagse narigheid: iedereen selecteert, iedereen classificeert, sluit sommigen in en anderen buiten. Elk mens is een wandelende discriminatiemachine, die bewust en onbewust wikt en weegt, beoordeelt en verwerpt, ophemelt en verguist.

En hoe kan het ook anders? Mensen zijn te complex en te vaag om werkelijk te doorgronden. Instincten geven de toon aan. Niemand kijkt objectief naar wie dan ook. De psychologie maakt vorderingen, maar in het dagelijks gebruik verschillen mensen nog altijd nauwelijks van de wezens die knorrend en grommend met elkaar omgaan.

Daarom is niemand onwaarachtiger dan degene die beweert dat misantropie hem vreemd is. De mens wordt bestemd, gedwongen en getraind om een hekel te hebben aan zichzelf. En aan wat hij van zichzelf herkent in anderen. De mens leeft door zich te voegen in een orde die hem amputeert en vermaalt. Het lege blad wordt vanaf de geboorte beklodderd, en niet met poëzie.

Wie in de spiegel kijkt op zoek naar zichzelf richt de blik diametraal verkeerd. En wie in zijn innerlijke spiegel kijkt ziet zijn hoogstpersoonlijke portret van Dorian Gray, waarin al wat vuil, gemeen en lelijk is vorm heeft gekregen. Wie tevreden is met zichzelf geeft blijk van blindheid. Geen verachtelijker onderkruipsel dan de kwal die denkt dat er niks met hem mis is.

Geen eerlijkheid zonder desillusie, geen nuchterheid zonder afkeer, geen werkelijkheid zonder walging. Desillusie is doorgebroken intelligentie, afkeer het resultaat van iedere oprechte reflectie, walging de opbrengst van een werkend gezond verstand. Het niets is het enige integere streven. Gegroet zij de leegte in u.

Meeting Elvin


As a boy I thought the drummer from Status Quo was the coolest guy in the world, so I wanted to become a drummer. But my parents made me take lessons on classical guitar, an instrument they thought more appropriate. Some five years later, considering this didn’t work very well, music school was flexible enough to transfer me to drums. I did a lot better on the instrument I wanted to play in the first place, and when I was seventeen my teacher told me I had to widen my horizon: for him to continue to teach me I’d have to take up an interest in music other than hardrock.

Fortune intervened: the little town a lived in was visited by a Great Drummer. So I went to this tiny bar, which was full to overflowing. There was plenty to be learned that night: I had never heard jazz like this, heard no one play the drums in this fashion, rolling over you like a tidal wave… It was a real peak-experience. I lingered after the concert, and when Elvin reappeared I surpassed my usual timid self, embraced him and told him he was the greatest. I don’t remember exactly what he said in return, but being the amiable person he was, it must have been something like great, thank you…

A few years later I found myself in this little shop (in Holland, I don’t have to tell you what kind of shop that was, now do I?). The owner said make up your mind, I’m closing, because I want to see Elvin. SAY WHAT? Yes, there I was, away from home but near a place where Elvin played. I hurried over and mixed with an audience that just sat there, drinking their little drinks and smoking their little smokes. I won’t be so bold as to say it was due to me, but at the end of the concert the whole venue was boiling, and when the musicians reappeared the audience had them walk unter an arch of outstretched arms. Elvin seemed to like it, and later referred to this concert as one where people were especially enthusiastic…

Third time: the great annual party, North Sea Jazz, and the 1999 edition featured an exquisite array of drummers. I saw Max Roach, Louis Bellson, Al Foster and Elvin all in one night. Events so overwhelming become a blur afterwards, but I remember Elvin giving a little speech halfway his concert which was so endearing that you could feel people melt. He had this way of laughing, half shy, half naughty, which could turn you to jelly…

A few years later, and I saw this snaredrum skin in the second-hand bin of a music store. Of course I scooped it up. Would it be the one Elvin played on that night?

Bericht uit Frankrijk: het proces-Charlie


Vijf jaar na de aanslag: het proces. De hoofddaders zijn dood, ze hebben zelfmoord-door-politie gepleegd, maar een dozijn adjudanten, wapendealers en andere betrokkenen is gedaagd. Sommigen na al jaren gedetineerd te zijn geweest, een enkeling nog niet. Eén zal er niet bij zijn, hij loopt vrij rond in Algerije.

Hoe verslaat een periodiek de ramp die het bijna heeft geëlimineerd? Charlie Hebdo vond een schrijver en een tekenaar bereid om het proces bij te wonen en een serie dagelijkse verslagen met bijpassende tekeningen te maken. Een loodzware opgave: er zijn 49 dagen voor het proces uitgetrokken en behalve het herbeleven van de aanslag leggen de opsommingen van boven water gehaalde omstandigheden, de verhalen van de nabestaanden, de leugens van de daders, de mechanische traagheid van de procesgang en de amorele slimmigheidjes van de advocaten een onmenselijk beslag op hun weerstandsvermogen.

Eigenlijk nam de schrijver van de verslagen een taak op zich die voor één man teveel is. Een paar keer besloot hij zijn stuk met de uitgeputte constatering dat er nog veel meer te zeggen was, maar dat hij het het niet meer opbracht. Eén keer zelfs omdat hij de te schetsen figuren te afstotelijk vond. (Stel je zelf maar het sujet voor dat door zijn onderwereldcollega’s het monster wordt genoemd…) Ik bewonder zijn vermogen om het verhaal een bredere betekenis te geven en vergeef hem graag dat hij af en toe in deftig geformuleerde algemeenheden blijft steken bij de al te concrete ellende die hem twaalf uur per dag om de oren vliegt.

Het proces is de zesde week ingegaan, ik heb de eerste vijfentwintig verslagen gelezen en probeer een min of meer thematische samenvatting te geven.

Het zwaarste onderdeel was zonder twijfel de reconstructie van de aanslagen. Urenlang werden er beelden getoond van de twee monsters die de Charlie-executies uitvoerden en het brein, dader drie, die moordend en brallend de koosjere supermarkt in een bloederig inferno veranderde. Beelden waarbij veel getuigende nabestaanden en overlevenden de zaal verlieten. Zij kregen de mogelijkheid om te vertellen over hun verdriet, de schrijver nam de ruimte om hun waardigheid, hun menselijkheid en hun gebrokenheid of juist hun opstandigheid te schetsen.

De ondervraging van medewerkers van de diverse veiligheidsdiensten die de aanslagen niet konden voorkomen gaf een beeld van de ongrijpbaarheid van de daders, vooral de twee broers, die een onbenullig leventje leidden en zo onder de radar bleven. Zij die de meeste doden veroorzaakten leefden als gameverslaafde sufferds, zich onderhoudend met wat kleine criminaliteit. Ze deden dat in een onmaatschappelijk, bijna compleet sociaal vacuum, totdat het brein van de aanslagen hen tot actie aanzette. Deze, dader drie, verborg zich allerminst, stal met hulp van zijn vrouw door oplichtingspraktijken een kapitaal bij elkaar voor de wapenaankopen (er was geen sprake van financiering van buiten) en manipuleerde een aantal schurftigen tot medewerking, mede doordat hij ze bij hem in de (drugs-)schuld zette.

Te denken gaf het portret van de vrouwen van de twee Charlie-schutters, die hun staat van taqiya, de verhulling van de ware bedoelingen van moslimradicalen voor de buitenwereld zo ver voerden, zo diep in hun leven hadden ingebed, dat het hun bestaan had opgegeten: ze waren lege hulzen geworden, door het stelselmatig veinzen van aangepastheid van iedere persoonlijkheid ontdaan: robots van en eigenlijk zonder enig geloof. Een ijzingwekkende schets, die bij nadere beschouwing op veel meer mensen kan slaan…

Een cruciaal aspect: de bewapening. Zeer precies kon gereconstrueerd worden hoe en via wie de hoofddader aan zijn enorme collectie wapens kwam. De lijnen liepen naar Slowakije, waar bepaalde types zware geweren, mits onklaar gemaakt, makkelijk verkrijgbaar zijn, Lille, waar een onderwereldgriezel ze weer gebruiksklaar maakte, en België, waar ze uiteindelijk verhandeld en overhandigd werden. De centrale figuur in dit hoofdstuk loopt nog vrij rond en beweert met een stalen gezicht dat hij politieinformant is en dus vrijuit dient te gaan.

37 Miljoen telefoonsporen zijn geanalyseerd, waaruit een beeld ontstond van de gangen van de schil rondom de drie schutters. Daarmee kwam lang niet het hele verhaal op tafel, want de gesprekken zelf zijn niet achterhaalbaar en sms-jes werden stelselmatig gewist. Er is veel duidelijk geworden toen een Belgische rommelaar schrok bij het zien van één van zijn klanten op tv en de politie toestond zijn mottige garage te onderzoeken, wat duidelijke sporen, zoals een bestellijstje van de wapens, naar de hoofdpersoon en enkele van zijn adjudanten opleverde.

En natuurlijk, zoals bij ieder proces waar gore types in de beklaagdenbank zitten, zijn er hun nauwelijks minder gore verdedigers. Er staat veel op het spel, iedere beschuldigde hangt twintig jaar cel voor deelname aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk boven het hoofd. Een aantal van hen heeft er al bijna vijf jaar detentie opzitten, de maximale termijn van voorarrest, dus doet het gebefte gajes zijn gemene best om het proces te vertragen: bij ieder vermoeden van virusbesmetting wordt het stilgelegd, dus is er bij iedere onwelwording opschudding, en heeft de weerzinwekkendste onder hen, een juffrouw met een dubbele naam, al bezwaar gemaakt tegen het verplicht dragen van mondkapjes, want “we worden gemuilkorfd”. Nooit een gebrek aan gelegenheidsargumenten bij de aasgieren van de rechtsstaat.

Wordt vervolgd.

Kut met peren op de kunstmarkt

Soms moet je achteraf constateren dat alles tegenzat.

Zo kwamen de vrouw en ik netjes op tijd aangereden in ons buurdorp, voor de derde keer deelnemer aan de kunstmarkt die de plaatselijke Vereeniging daar zo af en toe houdt. Op de nationale feestdag, en er werd verder vanwege dat pestpokkevirus nergens anders iets georganiseerd, dus kijkers genoeg. We stonden in een aardig hoekje, voor zover mogelijk uit de blèrende wind die van over het meer kwam aanwaaien. Het weer wilde niet meewerken: de eerste helft van de dag moesten we de regengevoelige spullen een keer of tien bedekken voor de traditionele bretonse druilbuitjes. De gevoelstemperatuur zal ook toen het verder droog bleef de vijftien graden amper gehaald hebben.

Wat mij met het vorderen der uren toenemend chagrineerde was het handelsklimaat. De binnenlandbretonnen, niet bekendstaand om hun royale en impulsieve aankooppatroon, leken toch niet alleen van plan om het bij kijken te laten: voor en achter ons werden deals beklonken. Het werd de kopers hierbij makkelijk gemaakt, daardat wat ze kochten een onwerkelijke prijs had: de betreffende verkopers konden, zo leerden we in de voor hen stille momenten, beide al op een redelijk pensioen rekenen en vroegen bedragjes waar serieuze kunstenaars misschien in Albanië hun neus niet voor zouden ophalen. Beide ervaren rotten, die met risicoloze routine grossierden in klamme en karakterloze figuratie. De een in regelrechte toeristenaandenkentjes (het kerkje van hier, het vuurtorentje van daar, keurig gerangschikt in bakken…), de ander in vermoedelijk fictieve landschapjes, waarvan hij ijverig aan alle belangstellenden uitlegde dat ze hier of daar te vinden waren. Beide onaantastbaar in hun ondermijnende prijsbeleid, want voorzitter en ex-voorzitter van de club. Kruideniers in de kunst en altijd voordelig.

Had ik al gezegd dat de vrouw NIETS verkocht? Ik kan wel gillen van razernij. Hier zijn twee pure hobbyisten die de markt verzieken voor wie wel een eerlijk uurtarief nastreeft, door het publiek te laten wennen aan veel te lage prijzen. Intussen hebben ze de mond vol van hoe het moet… Lopen aan het einde van de dag in ons gezicht te fluiten terwijl ze konden zien dat wij de hele dag droogstonden. Vinden het niet meer dan vanzelfsprekend dat je na een dag van niks, niente, nihil, nada ook even de dranghekken en ander gemeentemeubilair helpt opruimen…

Ik heb er een kloterige nacht van. Ik formuleer bijtende franse zinnen over hoe ze het gras voor andermans voeten wegmaaien en dan ook nog doen alsof ze daar niks aan kunnen doen. Het enige voorbehoud dat ik maak is het tergende gebrek aan zelfvertrouwen waarmee de vrouw behept is, wanneer het om het vermarkten van haar juweeltjes gaat. Haar frans is zogenaamd nog niet goed genoeg. Alsof het zo moeilijk is om mensen aan te spreken en “mooi hè” te zeggen…

Zelfportret in elf platen

1 Status Quo: Hello
Ik was dertien en kreeg een lullig beetje zakgeld. Niet getreurd, ik vulde het aan en bewees mijn miljeuvriendelijkheid door statiegeldflessen uit de alkmaarse grachten en parken te vissen. Ik had altijd een zak bij me, en vulde die zelfs wanneer ik met mijn toenmalige hondjo naar het strand ging, want er was eind jaren zeventig blijkbaar een container met lege spa-flessen overboord geslagen en die brachten mooi twee kwartjes per stuk op… Ik ging ermee naar de groentebalie van de V&D-supermarkt en incasseerde mijn guldentjes, die ik bij de platenbalie van zelfde bedrijf inruilde voor – zie boven. Waarom ik deze als eerste kocht en niet On the level, die ik eigenlijk beter vond, weet ik niet meer, maar uiteindelijk had ik ze toch allemaal, zoals het de rechtgeaarde geobsedeerde gek alias fan betaamt. Aan het einde van ieder kwartaal leukte de muziekleraar zijn cursus op door zijn pupillen toe te staan in de klas een stuk van hun favoriete plaat te draaien. Ik wist er nog wel eentje: softer ride, dat na een lang intro op bescheiden volume typisch quo-ig knallend losbarstte… haha, daar had ik mijn nietsvermoedende klasje mooi te pakken!

2 Tubes: Now
Ik was zestien en begon mijn smaak een beetje te verbreden, want je hele leven alleen naar Status Quo luisteren zou misschien toch een beetje benauwend worden. Gelukkig kreeg ik wel eens een tip van mensen die naar andere dingen luisterden en dit bandje was er één van. Deze plaat is zo divers dat hij bijna ongrijpbaar wordt, met alles van blues tot punk en via luisterliedjes met verfijnde teksten terug naar, uh… punk misschien? Ik kon er eindeloos naar luisteren, want hij was geknipt voor mij: uren in het laboratorium maakten een weirdo van mij, ik wist me geen raad wanneer iemand eens aardig voor me was, werd gek van verlangen, vond mijn klasgenoten vervelend, opgeprikt, geen lol aan en ik was vatbaar voor het idee dat het niet ver is van de eerste noot die je speelt tot de laatste… Met al hun klasse hadden ze een nogal ruig imago, en toen ze in de jaren tachtig nog wel eens in het land waren durfde ik er niet naar toe. Pas een jaar of vier geleden heb ik ze eindelijk live gezien, en het viel bepaald niet tegen. Nogal ontluisterend dat een band van deze klasse dayjobs nodig heeft…

3 Oregon and Elvin Jones: Together
Eindexamenjaar: schoolonderzoeken, leeslijsten… leuk en aardig, maar er moest ook gedrumd worden. Ik had les en begon een beetje samen te spelen, op school (fuck dat engels in het achtste uur) en daarbuiten, met een paar gasten die al wat verder waren maar blijkbaar geen betere drummer konden vinden. Een ervan werkte in een net in Alkmaar neergestreken jazzcafé, en toen dat iets bijzonders in de aanbieding had wist hij me naar binnen te loodsen. Ik had nog nooit van de man in kwestie gehoord, wist amper wie de John Coltrane was bij wie hij gespeeld had, maar goed, de drumleraar vond dat ik jazz moest leren, omdat hij me anders niets meer te bieden had. Dit concert kwam op het juiste moment: dus jazz kon ook hard en meeslepend zijn; op gewone trommels kon je ook met paukestokken spelen; een beetje vals kan ook mooi zijn… zelden zal ik op een avond zoveel geleerd hebben… Ik was helemaal blij, bleef hangen na afloop en toen Elvin zich weer vertoonde heb ik hem omhelsd en verteld dat hij de greatest was. Aardige vent als hij was liet hij het maar gebeuren, straalde en zei iets als nou leuk jochie. Een vonk sprong over… ik was reddeloos verloren voor elk ander instrument en het had weinig gescheeld of ik had ja gezegd toen de drumleraar (ik ben geneigd te zeggen drumboer, want een vreselijke boer was het) vroeg ik of na mijn eindexamen niet op zijn muziekpedagogische schooltje verder wilde studeren… Elvin Jones is een monument en heeft na zijn tijd bij Coltrane op honderden platen meegespeeld. Dit is er een waar hij op zijn allerbest is, uitgedaagd door de wat zweverige maar wel geweldig goede band Oregon. Een gouden combinatie.

4 Raymond van het Groenewoud: Habba
Mensen zijn zulke zeikerds! Plaats je een plaatje van je favoriete platen: is het niet goed. Schrijf je er een stukkie bij: is het niet goed. Zeg je dat je het gemakzuchtig vindt dat anderen er geen stukkie bij schrijven: is het niet goed. Hun frustratie hijgt in je nek. Ze weten dat ze teveel zijn, maar dat zal ze niet tegenhouden. Ach, wanneer zal ik van ze bevrijd zijn? Raymond begrijpt mij, daarvan getuigt deze plaat. Daarom houd ik van deze plaat. En niet van mensen. Leuk detail: deze plaat uit 1984 is grotendeels volgespeeld door de jongens van Doe Maar en geproduceerd door Henny Vrienten.

5 Tony Williams: Million dollar legs
Deze moet ik een keer of tweehonderd gedraaid hebben rond mijn twintigste. Verplichte kost voor drummers, hij leerde me hoe onweerstaanbaar je op je hihat kunt swingen en hoe duizelingwekkend gitaarwerk kan zijn, met dank aan de unieke capriolen van Allan Holdsworth. Oude liefde roest niet, ik hoor hem nog altijd graag, al ben ik de vioolarrangementen (!) misschien een beetje kitscherig gaan vinden en een tekst als “you brought joy to my heart, so let’s make love” … ach, je moet je idolen af en toe iets vergeven.

6 André Ceccarelli: Ceccarelli
Een ramp: op een dag werden mijn platen gestolen. Ik had er al een paar honderd en toegegeven, er zat ook nogal wat rotzooi bij, maar toch, niet fijn. Awel, ik begon opnieuw te verzamelen, en dit was een van de eerste vondsten waar ik echt blij mee was. Een kennismaking met de franse scene: er spelen nogal wat mensen mee die nog altijd actief zijn, veertig jaar later. Een paar studenten uit de Magma-academie… je krijgt de indruk dat het franse muziekleven aardig overzichtelijk is. Aan personele continuïteit geen gebrek: een paar jaar geleden kocht ik een plaat waarop liefst drie deelnemers aan deze plaat meededen. Aardig om te horen hoe de zanger nog steeds hetzelfde onweerstaanbare accent heeft (alleen engelsen die frans proberen zijn grappiger dan fransen die zich aan engels wagen…), maar ook hoe onvergelijkelijk veel beter de opnametechniek is geworden. Hier en daar, als je goed luistert, is er enige vooruitgang in de muziek.

7 Buddy Rich: Both sides
De eerste plaat waarnaar ik op jacht ging toen mijn collectie gestolen was, was deze. Niet geheel toevallig: het was mijn eerste jazzplaat en hij was me dierbaar. Beide zijden: Buddy de bigbandbeul en Buddy de dragende kracht in kleinere ensembles. Een natuurtalent, zelfs door Charlie Parker bewonderend aangestaard wanneer hij lekker bezig was. Leerde ongeveer tegelijkertijd lopen en drummen, maar werd gekweld door hevige rugpijnen en kreeg het bijbehorende chagrijnige temperament. Zijn woedeuitbarstingen jegens bandleden die niet genoeg hun best deden waren berucht. Er heeft ooit iemand stiekem een opname van gemaakt, je wilt er het mikpunt niet van zijn. Alom bewonderd als hypertalent door vakgenoten en outsiders. Er is een schattige foto van hem en de drummer van Status Quo, die ook eens achter zijn drumstel mag zitten en in adoratie naar hem opkijkt. Wanneer iemand de dwaasheid begaat, het drummertje van de rollingstoons van talent te betichten, wimpelt die dat bescheiden af en zegt: Buddy Rich, die had talent… Ik vond de plaat terug en zette snel mijn krabbel erop: die raak ik nooit meer kwijt.

8 Paul Brett: Phoenix
Kunst is kunst. Soms koop ik een plaat alleen vanwege de hoes. Ik geloof dat ik deze één keer gedraaid heb. Ik zag hem ergens, weet niet eens meer waar, en herkende onmiddellijk de signatuur: Ralph Steadman, de weergaloze sfeertekenaar en kompaan van Hunter Thompson. Sommige platen kun je beter aan de muur hangen, en laten hangen.

9 Daniel Denis: Les eaux troubles
Wie in Parijs op zoek gaat naar jazz kan snel vinden. Tussen het Forum des halles en de Seine is in een klein straatje, de Rue des Lombards, een hotspot waar je altijd terechtkunt. Een tent voor de achtergebleven dixie-stompers, een tent met een kelder, een tent met een bovenzaaltje… even een niet kinderachtige entree betalen en je een monsterlijke cocktail laten aanmeten, en klaar ben je. Een goeie tijd geleden zat ik in het bovenzaaltje bij een sessie, waar het publiek bijzonder enthousiast reageerde op de komst van een tanig mannetje, dat zich niet lang liet smeken om achter de drums te gaan zitten en… onweer, donder en bliksem! Het heeft me altijd verbaasd hoeveel venijn er in die franse drummers zit. Ze spelen als door de duivel bezeten. Ik vergat de naam en toen ik jaren later van een collega een bandje kreeg met werk van twee franse grootheden… had ik eigenlijk nog steeds geen idee. Pas in het utube-tijdperk begon ik me af te vragen: was dit misschien die Daniel waar ze in dat bovenzaaltje zo blij op reageerden? Ja dus, hij bleek een waal te zijn, al jaren een vermaard avantgarde-bandje te drijven (Univers Zero) en in zijn instrumentatie niet terug te schrikken voor het gebruik van fagotten en ander vreemds. Ik zet hem in dit rijtje omdat hij mij geïnspireerd heeft. Eigenlijk tot iets heel simpels: er staat op deze plaat een ernstig stuk, funerair bijna, naar aanleiding waarvan ik dacht: ja, ritme hoeft niet statisch te zijn… ik ben lang gaan puzzelen… het leverde een stuk op dat als een strand met aanzwellende golven in een ruim bemeten maat een langzame versnelling bevatte…

10 Robert Palmer: Some people can do what they like
Sommigen moeten ploeteren, sommigen niet. Sommigen kunnen alleen dromen, sommigen kunnen doen wat ze willen. Ik heb deze plaat al heel lang (vraag me niet hoe ik eraan kom…) en houd van de programmatische titel. Streeft niet iedereen ernaar te kunnen doen wat hij leuk vindt? Ik ben zover, ik loop niet meer aan de leiband van ouders, werkgevers, zogenaamde vrienden en mijn zeikerds van ex-landgenoten… maar kijk uit: kunnen doen wat je leuk vindt betekent niet zomaar alles kunnen. Robert dacht het misschien, maar hij rookte als een schoorsteen en heeft dat met een vroege dood moeten bekopen…

11 ELO: Masters of rock
Het is een proces waar zovele bands doorheen gaan. Fris beginnen, vernieuwende ideeën hebben, alles moet anders. En daarna slaan de maniertjes toe, de suggesties van boekhouders en managers worden leidend. Het is verleidelijk om dit proces in morele termen te gieten, het over sell-outs en knievallen voor het grote geld te hebben: being only in it for the money… Zo werd ik op het verkeerde moment fan van Status Quo: na een paar jaar onverzettelijke, compromisloze rock’n’roll zette het verval in en werd hun muziek slapper en omzetgerichter. Ik wilde niet van wijken weten en bleef fan tot het echt niet meer te pruimen was. Ze bleven daarna nog een paar decennia bestaan, want ja, ze hadden als tieners hun eerste akkoordjes gespeeld en hun eerste succes gehaald, ze wisten en konden niets anders… Iets soortgelijks gebeurde er bij het Electric Light Orchestra: een paar spannende, avontuurlijke jaren en daarna sloeg de routine toe en kon je aan de eerste maten van hun zoveelste radiovriendelijke deuntje al horen dat het weer niets was. Hele generaties groeiden op met hun muziek, zonder zelfs maar te weten waar die drie letters ELO voor stonden. En ik ben de purist, die de eerste paar platen geweldig vond en de rest… ach, fan zijn is leren dat je soms maar beter discreet kunt zwijgen.