Aan de veroorzakers

Onschuld zaliger!

Je had geen idee. Dat is geen verontschuldiging meer. Een eeuw geleden verschenen de eerste artikelen die voorspelden wat je nu met eigen ogen kunt zien. Je bij elkaar geplunderde rijkdom en je op maat gemaakte oogkleppen hielpen je om de tijd in zorgeloosheid te laten verstrijken. Maar jouw groei is mijn afbraak geworden, jouw ontdekking van de wereld mijn huisarrest, jouw luxe mijn verarming.

Je probeert je te drukken, zoals altijd wanneer de gevolgen van je handelen onhoudbaar worden. Je vlucht en blijft vliegen, koopt nog maar een auto, een airconditioner, een zwembad. Je bouwt een golfbaan in de woestijn, een gekoeld stadion, schiet tienduizend satellieten in een baan om de schroeiende aarde.

Je weigert aan iets anders te denken dan je eigen comfort. Je bent een egoïst, een klootzak, een zwijn, een aberratie. Je dekt je in omdat je met velen bent en iedereen doet zoals jij. Dat je er “recht op hebt” moet je vrijpleiten.

Veertig graden wordt het hier vandaag. Een nieuw record, maar er is niets te vieren. Ik klaag je aan. Het is aan jouw verraad te danken dat ik binnen moet blijven. Ik ben vijf jaar geleden naar deze streek verhuisd om aan dit lot te ontkomen. Het heeft me sneller achterhaald dan ik voor mogelijk hield. Ik wil je op de barbecue leggen nadat ik je tot hamburgers gehakt heb, maar het is te warm en je bent met te veel.

Ciorans Divagaties, derde elftal

23

Alleen mensen zonder talent trekken de laatste consequenties: suïcide, heiligheid, misdaad – vormen van een impotente expressie. De schriftelijke bekentenis verhindert de samenballing van de innerlijke krachten en hun ondergang in het absolute. Want de gave om het ongezegde te onthullen drijft ons naar een tweederangs leven. Het drama gaat zich in plaats van tussen het individu en de wereld tussen het individu en het vel papier voor hem afspelen. Iedere vorm van “talent” is een vorm van desertie en mislukking.

24

Alles wat de mens tot nu toe heeft geschapen draagt in gelijke mate bij aan zijn behoud en zijn ondergang. Alle inspanningen zijn onderworpen aan een wet die hij niet kent: de ophoping van het goede tegengaan.

25

Verzet is een teken van vitaliteit, maar het verraadt ook een gebrek aan metafysische geest. Onze instincten komen in opstand tegen de vormen van het leven omdat onze blik de ongeneeslijke monotonie van het worden en de nutteloosheid van iedere poging tot opsmuk onthulde.

Onze omgang met de wereld is een ontkenning van de wereld. We brengen onze eerste denkende en voelende jaren in onenigheid met de dingen door; verlangen en hartstocht raken verteerd terwijl we wachten op iets anders.

Later, wanneer we de nutteloosheid van de uitgave van onze krachten al te duidelijk gaan zien, wordt het verzet kil, helder, ontdaan van ieder handelen. We laten het verder aan anderen. Waarom zouden we hun geestdrift in de weg zitten met onze eigen gedesillusioneerde opstandigheid, uitgedroogd als jaloezie zonder liefde, alleen maar uit hoogmoed!

De beweegredenen van de opstand gaan samen met de wereld. Ieder mens, iedere generatie verschijnt met een tegoed aan illusies. Wanneer deze eenmaal vermalen zijn keert alles terug tot de norm. Anderen gaan door het spel te spelen; wij kunnen het niet meer. Want onze reden van bestaan wordt passief: wij verduren alles, zelfs het leven.

26

Wanneer de verklarende vermogens van de rede zijn uitgeput, wanneer je in al die theorie niets anders ontdekt dan de ijdelheid van het denken; wanneer het niets zich te uitgestrekt toont om in het zijn nog enige grens te vinden en wanneer je redenen van bestaan verlamd, naakt en tandeloos blijven word je een verticaal graf dat over zijn lot filosofeert – en alles door zichzelf heen verklaart.

In welk theoretisch vacuüm zou je een betere troost kunnen vinden, en een grotere onbeduidendheid? Voorbij alle concepten, op de puinhopen van alle abstracte architecturen verlaag je je retorische glorie tegenover een metafysica van oude wijven. Wat is nou eigenlijk het lot, anders dan de godheid van een theologie voor relicten? En toch, hier eindigt alle filosofie, in de schande van deze ene abstractie, in de ernstige nederigheid van dit begrip dat alles verklaart maar voor rede volmaakt onvatbaar blijft.

Het idee van fataliteit neemt zoveel onbegrijpelijks mee, dat we het onder alle omstandigheden kunnen inzetten, vooral bij de minste of geringste luiheid. Een leegloper die het weet te hanteren wint het prestige van een visionair, een verslagene die het almaar op de lippen heeft kan zomaar voor een held doorgaan… Dat is dan een beroep doen op wat ons te boven gaat, zonder ons bloot te geven.

Wie neemt er zijn toevlucht niet toe, wanneer de weg nergens meer toe leidt, en wie heeft nooit geschuild bij dit oneindig lege en toch eerbare excuus? Wat is het toch fijn: zo blijven, zonder iets uit te voeren, en aan het noodlot denken!

27

Wanneer ik denk aan alle weerzin die ik heb doorstaan; wanneer ik besef dat alles op het vlak van zijn of bewustzijn mijn denken en voelen met afkeer heeft verzadigd; dat het hele scala der dingen, van onbenulligheid tot verschrikking, een bron van verzet en nieuwe kracht is geweest; dat ieder menselijk wezen mijn walging van de mens heeft bevestigd en dat zelfs de engelen mijn gedachten deden bloeden…

Waarna al die opstandigheid is ingezakt, verscholen achter het masker van de filosofie en verzacht door twijfel en zorg om deftigheid en waardigheid, afgezwakt door vrees voor pathetiek of het belachelijke…

Wanneer ik bedenk dat ik zoveel niet verwerkelijkte haat in mij draag, zoveel onvoltooide wraak, zoveel gemiste chaos en gesmoorde anarchie; wanneer ik mijmer over al die opstandigheid begrijp ik wat een onheil er aan de berusting, de scepsis en de onthechting jegens de mensheid voorafgaat.

Geen enkele innerlijke rebellie sterft, maar elke moet worden overwonnen, want geen enkele is mogelijk: je zou alles moeten herstellen, terwijl geen enkele wat dan ook kan herstellen. En zo heb ik de wereld, niet in staat om haar wegen op welke manier dan ook te veranderen, in haar geheel moeten aanvaarden: om niet te bezwijken aan mijn verbittering en mezelf belachelijk te maken.

                                                                       *

De wereld aanvaarden uit vrees voor het belachelijke betekent de wellevendheid tot het niveau van een metafysische waardigheid verheffen.

28

Over de liefde heb ik nagedacht met grotere onverzoenlijkheid dan de Prediker. Ik slaagde er niet minder in haar recht te doen: door er de enige manier in te zien om te ademen in een wereld waar de lucht het laat afweten, de enige frisse wind in deze woestijn van verbijstering, een krankzinnige betuiging van onze volheid tegen de leegte om ons heen en de aanstaande innerlijke leegte, door er de enige illusie in te zien waardoor we het vacuüm verzwakken, wetende dat dit uiteindelijk toch zal winnen.

Want de liefde is onze uiterste inspanning om niet over de drempel van de wezenloosheid te stappen, om er de verpletterende zekerheid van te weigeren; zij is de illusie, werkzaam in de tijd, die onze val naar de uiteindelijke afwezigheid waartoe we gewijd zijn nog tegenhoudt.

Wanneer de vrouw verschijnt op de weg van onze zelfvernietiging, is het om onze snelle tred te stoppen, om ons te remmen in onze wrede en voorbestemde gang. Zonder haar charme glijden we rechtstreeks af naar onze fatale horizon; door ons de liefde aan te bieden storten we met een omweg in de afgrond. Voor Adam, zoals voor ons, is Eva de langste weg naar de dood.

                                                                       *

(in een aanval van dichterlijkheid herschreven:)


Over de liefde heb ik nog ernstiger nagedacht dan de Prediker. Ik probeer haar recht te doen: ik noem haar het enige dat ons een beetje lucht geeft in een verstikkende wereld, een koel briesje in de woestijn van onze verbijstering, een blijk van inhoud tegenover de leegte in en om ons, een uitstel van wat ons uiteindelijk te grazen zal nemen.

De liefde verhindert ons in de wezenloosheid van de wereld weg te zakken, helpt ons de alomtegenwoordigheid van het niets op afstand te houden, onze val naar het vacuüm te voorkomen.

Alleen de liefde kan ons afglijden in zelfvernietiging remmen, ons sneven temporiseren. Onze horizon en bestemming is de leegte, maar met dank aan de liefde krijgen we nog even respijt voor onze ondergang.

29

De bezigheden van de mens veroorzaken meer afbraak dan opbouw. Zijn gedrevenheid is een vloek, zijn werk een kwaad en zijn overhaasting een doem. De mens is een monsterlijke mier.

30

De vrouw is de beschermengel van onze onvruchtbaarheid.

31

Van alle overtuigingen die ik ondergaan of zelfs gepredikt heb is me alleen het gif overgebleven, dat mijn ziel vult met een suïcidaal sap. Van ieder geloof heb ik alleen het failliet geproefd; de schande, de kinderachtigheid van een “ideaal” gedeeld te hebben dreef me tot een wellustige ontbinding – de enige serieuze oplossing. In sommige ogen schittert alleen wat sterft, de aard van iedere charme wordt afgemeten aan zijn zieltogen.

32

Ik ben volmaakt op mijn gemak in het graf van mijn alledaagsheid. Ik maak de balans op van de meeslepende beproevingen die me belemmeren te blozen dat ik ben of bestaan heb. Buiten de eenzaamheid en enkele amoureuze herinneringen plette ik mijn lot. Vergeefs verwijt ik de anderen hun nutteloosheid en stel ik de mijne ten voorbeeld.

33

Individuen – en naties nog meer – lijden onder meerderwaardigheidscomplexen. Ieder individu en ieder volk geeft zichzelf volstrekt de voorkeur. Het is de wet des levens dat alles wat niet zichzelf is wordt uitgesloten, vandaar de automatische minachting die schepsels zonder uitzondering definieert. De loop van de gebeurtenissen wortelt in de organische onverenigbaarheid van individuen, stammen en volkeren. Het is een pijnlijk schouwspel, aangevreten door belachelijkheid, zoals alles wat voortkwam uit het gevoel van importantie, omlijst door onze onmetelijke ijdelheid.

Van het eerste leven tot nu aan toe, van het tasten van een worm tot aan de ironie van het zelfbewustzijn bestaat er geen gebeuren dat vreemd is aan het verdriet. Van de obsessie met het alledaagse lawaai tot het verval van keizerrijken, van het ongeluk als verschrikking tot de gelukzaligheid en het hele gamma ertussenin, alles spat uiteen en verbleekt in een nietigheid zonder vorm. De geschiedenis is een tragisch gebeuzel.

Ciorans Divagaties: tweede elftal

12

Het probleem is niet zozeer te weten hoe men ergens voor kan sterven, maar eerder uit te leggen hoe nergens voor te leven. Ogenschijnlijk is de beweegreden van de mens te dienen, zijn belachelijkheid uit te leven in een doel, rond te modderen in de schunnigheid van het nut. Alles spant samen om te verhinderen dat hij zich losmaakt van ieder doel, zich bevrijdt van het nut.

Er is geen moed voor nodig om iets te doen, maar om het niet te doen; weigeren te dienen, niet te willen dienen. Of te accepteren de strijd aan te gaan met de instelling van een zelfmoordenaar en niet van een held.

De mensheid heeft tot nu toe flink wat goede of slechte dingen gedaan om de mens toe te staan, een punt te zetten achter zijn vermoeidheid en zijn cynisme; of, wanneer de tijd van deze punt een komma maakt, zijn inspanningen voort te zetten met een toewijding, geboren uit en bekroond door minachting. Wanneer ieder van ons vergiffenis zal vragen voor iedere daad kunnen we van vooruitgang spreken zonder te blozen.

13

Zolang de vooroordelen de kracht van de instincten bewaren blijft deelnemen aan het gekrioel van de menselijke mierenhoop het doel van ieders leven. Maar wanneer de afwezigheid van een grond zich aan oplettende ogen en een ontgoocheld hart openbaart wordt de wereld een vallei van verveling.

Dan blijft alleen een wezenloos toeschouwer middenin de algemene wanorde zijn over; de samenleving gaat lijken op een gekkenhuis; de interesses en doelen van ieder individu en van het geheel lijken evenzovele tekenen van een verblinde onrust, kwellingen en zorgen gaan verloren in een banaal absurde.

Onder de opgedroogde observatie van de verveling raken zelfs de verzuchtingen van het schepsel hun betekenis kwijt – aan de borst van dit betraande universum dat niet meer is, in dit dal der vervreemde tranen.

14

Nu ik ervan afzie mezelf en anderen te corrigeren schijnt het leven me toe als een oefening op zich, één die onbeschrijflijk veel beter te dragen is dan de droom van verandering en het bedrog van een andere mens.

Hoe kan men nog onderworpen zijn aan de fascinatie voor een nieuw leven? De geschiedenis is een optocht die ongekende sensaties oproept bij de beteuterde die ieder in zich herbergt. Maar voor een gedesillusioneerde denker is er in iedere uithoek van de ruimte hetzelfde bloed, dezelfde ijdelheid, dezelfde kwelling en hetzelfde geluk. Uitdossingen en idealen veranderen alleen van kleur en naam. Voor een opmerkzaam psycholoog zouden een paar gebaren en woorden van onze eerste voorouder volstaan hebben om het hele hoofdstuk van de mens te vullen.

Iedere gebeurtenis lijkt ons buitengewoon – en deze illusie zorgt ervoor dat we eraan blijven deelnemen. In werkelijkheid is alles onder de zon even oud als de zon zelf; ieder lijden dat ons ongekend toeschijnt – want anders konden we het niet meebeleven – is slechts een hoedanigheid van hetzelfde en enige lijden, verbonden aan alles wat is, was en zal zijn.

We geloven dat onze triomfen en nederlagen uniek zijn – want hoe zouden ze ons anders kunnen verheugen of bedroeven? We hebben deze betovering van het unieke nodig om te leven, om ieder fragment van de tijd met een valse droom op te blazen – dat schijnbaar zonder gelijke is en in de grond van de zaak even nietig als alle andere.

15

Als we ons niet voortdurend trainden in twijfel, als we niet volhardend de nobele discipline van de scepsis aanleerden, als we de naïviteit van ieder handelen niet vergezeld lieten gaan van een gelijkwaardige dosis ironie, zouden de gebreken van de natuur, de hoonlach van de hyena’s om ons heen en de kwaadaardigheid van de schepping zoals zij is door de dammen van de ziel breken. We zouden verdrinken in de overstroming van onze eigen woede.

De onrechtvaardigheid en de domheid aan het werk binnen de grenzen van deze wereld hebben alles tot de sterren toe besmet: de hemel is al lang niet meer de grens van onze aanstaande val. Er rest ons niets meer dan het cultiveren van onze zelfbeheersing en onze gepijnigde wellevendheid, met als enige bekleding een beetje terughoudendheid, eigen aan ons vertrouwde verdriet. Een streven naar elegantie in de hel.

16

In de algemene verwarring is alleen de verslagene – door de filosofische deugd van de teleurstelling – in staat tot objectiviteit. Iedere overwinning wordt vertekend door verwaandheid, arrogantie en de volledige afbraak van een intellectuele horizon. Hij die nergens in slaagt ondergaat de kennis als enige beloning van zijn mislukking. Het bestaan is hem ontzegd, maar hij herovert het in de geest.

Iedere nederlaag is een ontwaken buiten de onbewustheid van het leven, een onthulling van een toestand die niet door een gevoel geschapen is. Dit is de betekenis van objectiviteit: een onvermogen om nog langer aan onszelf deel te nemen en zo de werkelijkheid te vervalsen. We zijn onpartijdig jegens alles, want we nemen nergens meer aan deel. We zien alles wat zich aan ons voordoet met ogen die niet meer de onze zijn.

17

Als twintigjarigen zijn we gesteld op de profetische zijde van de groten, hun inspiratie, zwakte, drang, hun innerlijke dronkenschap. Later gaan we deze vervoering irritant en vergankelijk vinden, die niet meer overeenstemt met wat teleurstelling en de strengheid van een heldere blik ons leren. Wat is er onzinniger bij Nietzsche dan zijn idee van een andere mens, een andere cultuur en andere waarden? Is er iets vager en onwaarschijnlijker dan het idee van vrijheid bij de romantici? Rousseau is onleesbaar, omdat hij dromend over de toekomst leefde; Kant stomvervelend omdat hij de moraal rationeel probeerde te verankeren; Shelley uniek in zijn klaagzang en ondraaglijk in zijn wereldbeeld. Dostojevski overweldigt ons met de onoplosbare problemen die hij ons voorlegt, maar zijn pogingen om Jezus nieuw leven in te blazen zijn onvruchtbaar.

Het oordeel dat we ons vormen in onze volwassenheid hangt niet meer af van de verlokkingen van de toekomst; de functie van de tijd wordt uiteindelijk illusoir, wanneer het om de blik gaat waarmee we de wereld bekijken. De hoop die zovele scheppers onderhouden op iets werkelijk nieuws gaat ons kinderachtig, onterecht en niet te verantwoorden toeschijnen. Hun negatieve zijde, de verbijstering jegens het onvermijdelijke, lijkt ons daarentegen onweerlegbaar. Ze blijven alleen nog interessant wanneer ze hun nederlaag erkennen: jegens de liefde, de idealen, de dood. Wanneer ze iets bereikt denken te hebben gaan ze verloren in anonimiteit of in een steriele eigenaardigheid. De opdracht van de denker of de dichter is niet om te verbeteren, voor te stellen of te profeteren, maar om onverzettelijk en onherroepelijk te zijn als mens.

Shakespeare kan niet verouderen, omdat hij vertaalt wat genadeloos is in de natuur, de schepping en vernietiging zonder doel of resultaat. Alles wat probeert de dood te verbloemen is gedoemd tot een statistisch bestaan. De idealisten lijken nobel en verleidelijk, maar ze vergaan samen met de onwerkelijkheid van hun wereld – terwijl sceptici de tijd weerstaan, omdat hun twijfels, wanneer ze hen al niet overleven,  net zolang meegaan als zij. Zo kan men begrijpen dat van Nietzsche alles achterhaald is geraakt, behalve zijn angsten, de trots van zijn eenzaamheid, zijn ontkenning; behalve die enkele pure extases, anti-profetisch als ze waren, en zijn ideeën van ziekte en rampspoed…

18

De grote tragedies van de geschiedenis komen – net als de kleine tragedies die ons omringen – voort uit het feit dat de mens er niet in slaagt zijn lafheid tot het eind toe door te zetten. Het geweten, scrupules en de starre wil tot “het juiste” ondermijnen de grondslagen van de samenleving. “Deugden” leggen haar in puin. Die verdomde dorst tot zelfovertreffing, heldendom, bezetenheid van een andere toestand, vooruitgangsgeloof – allemaal gevestigd op de mythe van de tijd – hebben de mens ontwricht, door hem te laten geloven dat hij de een of andere missie heeft, en door hem te laten vergeten dat de ideale samenleving er een van lafaards is.

19

Als de mens zichzelf in zijn onbewuste reacties niet op de plaats van god zette, als hij zichzelf niet zag zoals god zichzelf vermoedelijk ziet, zou het idee van de algehele ijdelheid zijn krachten verdrinken. De illusie van het ik is de illusie. Wie die niet kent bestaat niet, zou niet kunnen bestaan. Wie haar niet denkt te ondergaan vergist zich; onderging hij haar niet, dan bestond hij niet. En bovendien, de kwetsbaarheid van het ik constateren streelt zijn kracht. Wat de mens ook doet, niets kan hem tegenhouden in eigen ogen het centrum van de wereld te zijn.

20

Bij alles wat we beleven vechten we: in de liefde, de ziekte, de hoop en de slaap. Want zonder vijandschap gebeurt ons niets; de bestanddelen van het lot zijn evenzovele krachten van de tegenspoed waartegen we tot onze laatste ademtocht strijden – adem die zelf onze vijand is.

21

Banaliteit en creatie lopen samen. Voordat ook maar iets bestaat, voordat het bestaan alles begint te bederven, weerspiegelt zuiverheid zichzelf. We kunnen deze weerkaatsing zien bij hen die verlangen naar wat nooit geweest is. Zaligheid van het niets, buiten ieder voorgevoel van aanstaande schepping en zondeval; verlangen naar de tijdloze tijd, in de boezem waarvan de ogen nog geen weet hadden van waarneming of de ontwaarding tot object.

22

Wanneer men heeft rondgelopen met open ogen en heeft gezien waartoe de “idealen” leiden, of waartoe het zweet van handen en hoofd; wanneer men in de liefde onder de sluier van de tederheid rellen ontwaart, man en vrouw die elkaar al millennia beloeren; wanneer men de mensen bereid ziet elkaar te molesteren, en moorden tot de basis van de samenleving te maken onder de onpartijdige stralen van de zon – dan begint het hart naar de samenleving der mollen te verlangen en verbant het zichzelf vrijwillig van deze wereld.

Trou de merde

Er komt niets dan ellende vandaan: achterlijkheid, groepsegoïsme, verbeten inteeltcultuur. De taal is verbasterd, de mentaliteit insulair, het sociale leven drijft op afgedwongen onderlinge “hulp”. Misplaatste trots op de eigen identiteit blokkeert de blik naar buiten en opstandigheid tekent er de mens. Corsica heeft nooit deel van Frankrijk willen zijn.

De lokale potentaten verstevigen continu hun greep en gebruiken methoden die met hun tijd meegaan. De corsicaan met het mes is de corsicaan met het automatische geweer en de synthetische bom geworden. Een voorlopig hoogtepunt in de corsicaanse terreur was de aanslag op de gedelegeerde zetbaas van het centrale gezag, prefect Claude Erignac, die een begin van modernisering aan het eiland wilde opdringen: hij werd met drie kogels geëxecuteerd.

Na vijf jaar werd de uitvoerder van deze explosieve opdracht opgespoord.  Hij had zich onzichtbaar gemaakt als herder in de binnenlanden, bereikte dezelfde zorgvuldig georkestreerde heldenstatus als Che Guevara en Bobby Sands en kreeg na zijn ontdekking levenslang in een bak buiten het eiland.

Totdat ook daar de 21e eeuw doordrong: hij werd door een afrikaan van moslimdenominatie in elkaar getremd en met een zak over zijn kop gewurgd omdat hij diens profeet beledigde. Frankrijk schijt zeven kleuren bagger om wat deze gebeurtenis heeft ontketend. Al wekenlang zijn er rellen, die niet effectief gesmoord worden omdat de aanvoer van ME-ers vanaf het vasteland wordt gesaboteerd.

De corsicaanse onderwereld is groot en machtig. De politieke tak ervan is een spectrum van partijen die in naam nobel streven naar onafhankelijkheid, maar in de praktijk banale uitvoeringsorganisaties zijn, motor en facilitator van de vastgoedwildgroei, de verduistering van subsidies en de exploitatie van visserij en toerisme ten koste van een unieke natuur.

Dat de zojuist aan zijn eind gekomen volksheld tot een heiligenstatus wordt gepromoveerd is niet meer dan logisch. De stapels t-shirts met zijn nietszeggende proletenkop erop liggen klaar om door iedereen die erbij wil horen aangeschaft te worden.

Het eiland, dat zoals bekend de rusteloze expansionist Bonaparte voortbracht, is pas sinds de 18e eeuw Frans domein. Voor die tijd was het onderdeel van de staat Genua. Het lijkt me verstandig om het terug te geven aan de Italianen die, wijs door ervaring, kundiger zijn bij het intomen van tuig. Voor een paar vaten wijn en een kudde schapen.

Dan zullen het de Italiaanse gevangenissen zijn die overstromen van rapalje dat maar één kunst beheerst, die van de misdaad; zijn het de Italiaanse veerdiensten die de passagier laten bloeden en koffers smeergeld uitdelen rondom scheepsbouw- en onderhoudsopdrachten; dan zijn het de Italianen die die zure wijn moeten zuipen en die kaas moeten vreten die kilometers in de rondte de lucht bederft.

Geld en vrede

Een paar jaar geleden stuitte ik op een figuur uit een verre uithoek van het politieke landschap, die om zich te positioneren als deelnemer aan een discussieplatform een traktaat van veertig bladzijden presenteerde. Beroerd geschreven, met onmogelijk lange zinnen vol irrelevante uitweidingen en een dermate vergezocht woordgebruik dat ik me er met toenemende weerzin doorheen gevreten heb.

Maar ik deed het, want het bood een unieke inkijk in de denkstructuur van een reëel bestaand fascisme. Kort overzicht: dat het enige recht van vrouwen het aanrecht is (het stond er bijna letterlijk!), maar vooral: dat het heil van het decadente westen gezocht moest worden in Rusland, waar men de waarden van het christendom nog hoog hield en zich niet liet perverteren door ideologische uitwassen als vrijheid en gelijke rechten. Een lekker fris schrijfseltje!

Geen politiek zonder economie en geen economie zonder politiek. Het is volkomen naïef om te veronderstellen dat als je zaken doet met mafiosi, de capi hun mogelijkheden ongebruikt laten om je de voet dwars te zetten waar en wanneer het ze uitkomt. Daar ontkom je alleen aan door van dit zakendoen af te zien.

En dus zet de grootste oorlogshitser van deze eeuw zijn kaarten op verstoring van de vrije wereld door steun aan fascistoïde rechts: om de stabiliteit van niet-dictatoriale systemen te verzwakken met behoud van een goed draaiende economie, en voor de continuïteit van een bloeiend zakenleven moet je op rechts zijn.

Ook de meest autocratische roverhoofdman kan het niet alleen, en dit geval heeft in de loop van zijn jaren aan de top een systeem geperfectioneerd van kleptocraten die allemaal een percentage afdragen aan de capo di tutti capi, miljarden binnenharken, de leukste appartementjes kopen in Courchevel, Doebhaai en Londen en hun afstotelijke lijven bruinen op protsboten met helikopterdek. Zo brengt een land dat alleen rijk is aan grondstoffen en waarvan de economie niet groter is dan die van een landje als Spanje een paar honderd miljardairs voort. Het opperhoofd wordt op veertig tot tweehonderd miljard geschat.

Maar ook de vunzigste dictator gaat een keer dood. Het zou een gemiste kans zijn om je alleen door zijn miezerige machtsspelletjes te laten obsederen. De propaganda vanuit zijn sferen heeft wel stelselmatig maar niet altijd ongelijk. Een suggestie waar ik vatbaar voor ben, is dat bestrijding van de kleptocratische aberratie niet beperkt hoeft te blijven tot de systeemprofiteurs uit het oosten.

Geweldig dat deze megaparasieten de voet wordt dwarsgezet, maar zou het niet nog geweldiger zijn om nu ook de uitzuigrattennesten van de kaaimaneilanden, luxemburg, de zuidas en zo verder te annihileren? Probeer het je eens voor te stellen: in een overkolkende schoonmaakwoede alle roofbaronnen ter wereld op de keien zetten en met het genaaste gestolen vermogen een ander systeem bouwen?

Er is genoeg voor iedereen wanneer niemand de gelegenheid krijgt zich meer toe te eigenen dan nodig voor eigen onderhoud. Wat schieten vreedzame mensen op met miljardairs en oorlogshitsers? Breek de plutocratie af en maak iedereen profiteur: van een lui leventje onder de zon, niets producerend, niets verbruikend, geen schade toebrengend aan wie of wat dan ook. Kan alles wat op deze planeet leeft opgelucht ademhalen. Of vertrouw je je toekomst liever toe aan dieven?

Ciorans divagaties, eerste elftal

Divagaties

Fragment 1

Als de mensen ooit ophouden beelden voort te brengen, zullen ze elkaar tot de laatste man uitroeien. Het is onmogelijk te schatten wanneer ze dit stadium zullen bereiken, maar het is zeker, de loop van de geschiedenis toont het aan, dat ze onmogelijk zonder idolen, zonder verering en zonder de verblinding van de aanbidding kunnen leven. Of ze nu buigen voor religieuze of politieke schimmen, of hun verbijstering nu aan een verbeelding van het absolute of van een afgod te wijten is, van een godheid of een partij, ze moeten en zullen hun denken aan iets onderwerpen.

Er is geen ding of idee dat niet in de loop van de tijd, al was het maar even, het opperste doelwit van het denken en van het hart is geweest. Iedere schijn heeft ooit de plaats ingenomen van de godheden. Het profeteninstinct dat aan de boezem ligt van ieder schepsel heeft van de uiteenlopende vormen van schepping tirannieke werkelijkheden gemaakt, waarvoor zijn trots moest buigen.

Hebben wij ooit in de geschiedenis een ogenblik gekend dat ontdaan was van leiding, ideaal of illusie? Zelfs de tijdperken van ontwarring hebben de decadentie in een mythe omgezet, ze knielden voor hun afwezige toekomst. Zij die niet geloven, geloven in het feit van hun ongeloof; twijfels zijn niet minder voedzaam dan zekerheden. De mens is het dogmatische wezen bij uitstek. Niets kan hij moeilijker verdragen dan een steriele, alzijdige, tolerante scepsis en de bijbehorende bittere glimlach. Bloed wil hij, in alles wat hij doet en hoopt, bloed om de illusie te voeden zich niet vergist te hebben, serieus en onweerlegbaar te handelen.

Wanneer het gesprek en zijn kunst om de waarheden te matigen tot eenvoudige gemeenplaatsen van het samenleven de basis van onze alledaagse zekerheid dreigt aan te tasten, verschijnen de profeten; de menigte volgt hen en geeft zich aan hen over. Als bij toverslag verstommen de discussies, waarheden vestigen zich schijnbaar voor eeuwig, ironie brengt iedereen in dodelijk gevaar. Het beeld – ondersteund door de politie of een ideologie – vervangt de oude koningen en keizers, oude legenden en oude meesters.

Het is moeilijk om je de menselijke kuddes voor te stellen, zomaar ineens bevrijd van ieder bijgeloof. Welke wet of code, welk gezag zou hen nog op hun plaats houden? Zonder de komst van een cataclysme van buiten zal de menselijke soort ooit een dag zien, die moeilijk te voorspellen maar waarschijnlijk en zelfs zeker is, waarop het laatste bijgeloof verdwenen is. Wanneer het laatste gouden kalf vernietigd is, zal geen enkele macht de chaos meer tegenhouden. Maar hoevelen zullen het geluk smaken, de doodsstrijd van het laatste beeld te beschouwen?

(nvdv: bedoeld wordt “gesneden beeld”, als in exodus 20; de 10 geboden)

2

God is een ziekte van het hart. Onze behoefte om hulp te vinden heeft deze onzekere steun verzonnen, die zwakke en machteloze mensen troost in hun zwakheid. De sterken – zij die hun onzekerheden op zich laden, zij die moed hebben in hun afwezigheid van vaste grond – bevinden zich altijd buiten Hem; zij leven zonder het bijgeloof in welke hoofdletter dan ook, omdat zij maar al te goed weten in welke mate het moeilijk is voor een bestaan, zelfs als dit zich heeft ontwikkeld tot het niveau van het denken, om de denkbeelden of de dingen af te vlakken in het hart van hun opeenvolging van uitwisselbare werkelijkheden, in de algemene onbeduidendheid die hen omringt.

Een stad en, meer nog, een hart die niet bevolkt waren door idolen, zijn symbolen van woestenij en troosteloosheid. Alles in ons eist – en knutselt – het reliëf van het afgodsbeeld. Ons greintje absolute is gezaaid in de vastheid van het zijn zelf; het is er nog eerder dan het bloed. Alles moet iets zijn, dat is de onbewuste grondstelling van de schepping. De verscheidenheid aan formules waarmee we het opperste goed uitdrukken weerspiegelt in al zijn schijnbare variëteit uiteindelijk een zelfde streven. God of de goden; de staat of de beschaving; het gezag of de vooruitgang; een natie, een klasse of juist een individu; onsterfelijkheid of het aards paradijs – het zijn evenzovele gezichten van het eeuwige Gouden Kalf.

Het verlangen om een concept uit een abstracte reeks te lichten, of een object uit de concrete wereld, en het met een hoofdletter te bekronen is de vrucht van een diep verlangen; het resultaat ervan: de Geschiedenis. Uit de universele keten van mensen en dingen moet iets of iemand zich losmaken en opstijgen tot onafhankelijkheid; een schakel moet losbreken van de andere. Zo protesteert het hart tegen de voorbeschikking. Ergens in het verleden, de toekomst, of de droom die het heden is, improviseert de mens de ontkenning van iedere improvisatie. Hij schept een symbool van vrijheid waarvan alles afhangt. Zo stelt hij zijn comfort in de kosmos veilig en zoekt hij afleiding voor zijn zwakte.

Het absolute, uitvloeisel van al het diepste in ons, is de last die we uitspreiden over onze leegte en die der dingen; het is de oppervlakte van onze diepte, de metafysische stralenkrans van onze eigenlijke lafheid. In god doen we niets anders dan vluchten voor het ongeneeslijke en steriele licht van deze wereld, wij schuilen in een warme en kiemkrachtige duisternis, vruchtbaar voor de eeuwigheid en ontoegankelijk, we verdedigen ons tegen de verlokkingen die ons verorberen en aanvreten, die ons een verstikkende werkelijkheid en een hemel zonder troost zouden tonen.

De kracht ontbreekt ons om de beproeving van de heldere visie te doorstaan. De volmaakte gezondheid van de rede die in alles het niets gadeslaat en de geest die verbroedert met het niets dat het omringt zijn fataal voor de ziel. Dus brengt zij God voort en al zijn surrogaten op aarde, om haar evenwicht te bewaren, dat in het licht van de rede niets anders is dan een zwakte, een krankzinnig construct.

3

Afhankelijk van onze manier om de zaken te bezien – volgens een koel gedachtenleven of de onbewuste reacties van het gevoel – verandert onze plaats in de wereld van het ene uiterste in het andere. Bij een onpartijdige analyse is het onmogelijk om voorbij te gaan aan onze fundamentele onbeduidendheid, net zoals het onmogelijk is om, gedreven door de verborgen impulsen van onze natuur, ons niet te beschouwen als het middelpunt en het doel van alles.

Er gaapt een afgrond tussen denken en doen, want er is geen enkele overeenkomst tussen bestaan en begrijpen. Als ieder mens niet in eigen ogen de laatste der mensen was, de finale bekroning van de tijd, zou onze betrokkenheid bij gebeurtenissen en daden zo zwak worden dat de kloof tussen bedoeling en feit een afgrond van passiviteit en wezenloosheid werd, die het leven zou reduceren tot een gapend gat.

Het geheim van ons bestaan berust in ons onvermogen om de consequenties te trekken uit onze overduidelijke onbeduidendheid. Het irrationele, dat zich verzet tegen deze heldere conclusie, omvat het onveranderlijke korreltje waarzonder we zouden ophouden te bestaan. Welbewust dat we niets zijn, gedragen we ons alsof we alles kunnen zijn, en stellen ons zo bloot aan de essentiële dualiteit waarvan het onoplosbare karakter, met een variabele graad van intensiteit, ieders diepste wezen bepaalt.

4

Menselijkheid bestaat alleen in de vriendelijke, toegeeflijke sfeer van de twijfel. De ziel en de wereld omhullend in een immer onvoltooid teder weefsel, beschermt de twijfel ons tegen de bruutheid van het geloof en de onverdraagzaamheid eigen aan de waanzin. Fanatisme is de motor van de geschiedenis, maar het ritme dat het oplegt aan zowel gebeurtenissen als mensen wordt zo duur betaald, en voor een zo pover resultaat, dat een eindeloze neergang oneindig veel verkieslijker is boven de eeuwige epilepsie van de valse vernieuwing.

Terwijl scepsis de waanzin die ieder eigen is verdraagt en verduurt, verheft het fanatisme de furie van het individu tot norm. Het verkrampte instinct wordt autoriteit; de pathologie wordt wet. Of het religie, politiek of moraal betreft, monsterlijke absoluten worden geschapen, bloederige surrogaten van godheden. Wie zonder voorbehoud of vrees voor de gevolgen van een bezwaar in iets gelooft wordt de slaaf van zijn bezieling of zijn eigen krankzinnigheid – en wordt een direct gevaar voor zijn omgeving. Want de enige slechte mens is hij die niet aan zijn overtuigingen twijfelt, degene aan wie “de waarheid” bij toverslag is verschenen, in een onvermogen om de waarden tegen elkaar af te meten.

Wie zijn “ideaal” zonder glimlach of spot beziet, plaatst zich daardoor buiten bereik van het verstand. Alleen een ironische toewijding jegens onze geestdrift kan ons redden van de platheid. Door zijn consequenties is een ontketend geloof beestachtiger dan de ergste vervoering. De laatste kan nog berouw veroorzaken, het eerste leidt onvermijdelijk tot onverdraagzaamheid. Zo heeft dus iedere instemming met het leven een abjecte zijde. In om het even welk ideaal schuilt iets smerigs.

5

Jezus hing maar drie dagen aan het kruis te rotten; wij ons hele leven, en de ontwerper of eerder de medeplichtige aan de genesis, de eeuwige en onveranderlijke God, heeft zijn perfectie in gevaar gebracht vanaf de eerste dag, al sinds hij deelnam aan de algehele ontbinding genaamd tijd. De theologie der gewonde gedachten verzint een oneindig bederfelijke godheid, die zijn stof laat vervallen om het evenbeeld van de mens te weerspiegelen.

Tot nu toe projecteerden we slechts het oppervlak van onze harten op de hemelen. Maar zijn die niet de aangewezen streken om ons in de tragedie te storten, de juiste ruimte voor een ranzige eeuwigheid? Onze zonden hebben niets meer toe te voegen aan het icoon van de Duivel, toch is het aan hen om de banaliteit van een flauwe godheid nieuw leven in te blazen. Hoelang zal de Boze zich nog in alle eigenschappen van de ziel verheugen? Hoelang nog zal hij de enige spiegel zijn waarin we onze geheimen en de kracht van onze eigendunk weerkaatst zien?

Men zou geloven dat we het beste en het slechtste van onszelf op hem geprojecteerd hebben, dat wat ons het meest eigen is. En op het moment dat we zijn tegenstander en meester uitwerkten, uitgeput, onmachtig, schiepen we een breekbaar beeld, het evenbeeld van de eigenschappen van onze eigen bloedarmoede. Zullen we de kracht nog vinden om eindelijk een God in de wereld te zetten?

6

Het leven maakt ieder van ons een veroordeelde, en ieder van onze gelijken een beul.

7

Omdat ieder individu in eigen ogen niet zozeer een universum in het klein, maar een universum in zijn geheel is, lijkt de strijd tussen de mensen weleens een gesmoorde apocalyps. Conventioneel aan de oppervlakte, maar oneindig tragisch in de diepte.

Stand houden tussen hen betekent een hart van steen hebben, de onverschilligheid van een hond en een zo verregaande looiing van huid en verstand, dat je je gaat afvragen: wat als jij die maar doorgaat met bestaan niet net zo goed deel uitmaakt van de gewone horde, even wreed en belachelijk bent? Bij deelnemer en toeschouwer verraadt het inademen van de onverzoenlijke lucht van het leven de ziel van een roofdier met meer of minder afgestompte snijtanden. Ieder levend wezen dat maar doorgaat heeft zijn ongeluk verdiend.

Toch bestaat er een verschil ten ongunste van de mens: terwijl ieder prooidier een andere soort ten prooi valt, zijn alleen mensen een prooi onderling. Kaïn en Abel zijn voorlopers van de hele geschiedenis en symbool van alles wat volgde. Vijandschap verzadigt iedere seconde. En hoe kan het ook anders, als ieder mens zijn eigen opperste obsessie is, wanneer eigendunk het eufemisme is voor beestachtigheid en valse bescheidenheid, die geen eigendunk mag heten, een nog groter gevaar vertegenwoordigt?

Buiten hen die van alles afzien – door ascese, zelfmoord, heiligheid of uit afkeer – en buiten hen die zich bezwadderen met hun eigen bloed bestaat de mensheid uit een kudde doodgewone moordenaars, waartussen we ons voortslepen in vermoeidheid en walging, totdat hun blikken en daden ons vermogen hebben uitgeput om welk lot dan ook te delen.

8

Iedere vorm van nostalgie bevat een wellustig en vaag pijnlijk, onbewust streven naar verdwijnen. Het is de chronische ziekte van de ziel, onderhevig aan de droom van een ander onderkomen dan het leven, met grote gretigheid begerig naar een sterielere aarde en een verder verwijderd hoekje van het onbestaan.

9

Gebeurtenissen zijn de tumoren van de tijd, mensen de medeplichtigen van de verrotting, de geschiedenis het rotten zelf. Vertrapt door de duivel, raakt de menselijke mierenhoop versnipperd in afgrijzen, en uit dit afgrijzen ontstaan het gebed, de vroomheid en god.

10

Ieder handelen in het leven is een handelen uit voorkeur, een schijn verheven tot idool. Het individu kiest iets en weigert de rest; de natie, een abstractie, wordt concreet in de haat jegens een andere natie, zij wordt levend, bestaat; net zo goed als de mens, in zijn onophoudelijke opstand tegen zichzelf en zijn natuur, zich voedt met dit conflict dat hem uiteindelijk definieert.

In leven zijn, dat is in de grond van de zaak het weigeren van objectiviteit. Wanneer we ertoe zouden komen, dingen en mensen hun eigenlijke waarde toe te kennen, los van ons eigen belang, betekent het dat we een positie innemen buiten hun niveau, dat de drijfveer van ons handelen niet meer uit het leven afkomstig is.

De illusies van de stam niet meer delen, evenmin als de vooroordelen van de natie of de fascinaties van de mens; een denkende steen zijn, gezuiverd door de dodelijke obsessie van de onpartijdigheid, de al te voorgebakken instincten omzetten in een kille wellust die door geen enkele beving wordt aangetast, een geest die geen enkele rilling van medeplichtigheid meer toelaat, lust en walging, opstand en berusting overwinnen – dat zijn de basale voorwaarden voor wat een oordeel kan zijn dat niet bevlekt wordt door de gemeenschap, de natie, hervorming, toekomst of welke andere leugen, inherent aan de ziekte van het bestaan. Dit zou de voorwaarde van de waarheid kunnen zijn.

Het probleem is dat deze voorwaarde je in conflict brengt met alles en iedereen – en zo val je terug in de toestand die je had overwonnen en ontkend. Zo ben je gedwongen jezelf te prefereren, juist wanneer niets je meer rechtvaardigt en niemand je meer accepteert. Onpartijdigheid wordt een ideaal, een hartstocht; ze stuurt je via een omweg terug naar de ketening van het handelen die je had geweigerd. Ieder standpunt, zelfs als het levensvijandig is, is geïnfecteerd door het leven. Tegenstrijdige toestanden onderscheiden zich door hun inhoud, niet door hun schijn. Twee vijanden zijn twee vormen van dezelfde mens.

Alleen wie als organisme overal buiten staat, wie er in alle onschuld in slaagt niet te leven, staat terzijde, boven of onder zijn natuur. Zelfs wie overwegingen over het leven afscheidt verraadt er een geheime affiniteit mee. Objectiviteit is een moeilijker te bereiken ideaal dan heiligheid, want objectief zijn betekent in conflict komen met alle eigenschappen en surrogaten van het leven, terwijl je ademhaalt; terwijl heilig zijn een overeenstemming met de wereld die je hebt gecreëerd veronderstelt, de mijne en die van god, een wereld naar de hemel geslingerd – die ik verkies, die me volmaakt bevredigt.

Objectiviteit is alles wat men zich als het verst verwijderd kan voorstellen van de behoefte aan heil, deze nobele verbuiging van onze reflexen; en van de weigering, de dingen te zien zoals ze zijn. Zien wat is, zoals het is, dat is de dood. Zien wat is, zoals het zou moeten zijn, dat is het leven. Volkomen onpartijdigheid en de dood zijn één en onscheidbaar, het ideaal van de onpartijdigheid is een perverse vorm van eigendunk, smachtend naar ongenaakbaarheid.

11

Oneindige, ziel, universum… allemaal woorden waaronder niets schuilgaat, nobel verguldsel met dank waaraan we de werkelijkheid ontvluchten. Onder de leegte van de woorden ligt ons onvermogen om één te zijn met de wereld, en de spanning die dat oplevert, totdat de dood ons komt halen of we onszelf doden.

De mens is de vreemde: aan god, de materie en zichzelf. Hij stort zijn vitaliteit uit in zijn verbanning, hij is de vreemde bij uitstek, over een aarde zwervend die hij ontkent, zich niet zonder ondeugd vermakend met zijn uitzonderlijkheid.

De oplossingen die hij knutselt doen hem geen eer aan: hemel, geluk, schepper, vooruitgang: wat een miserabele apotheek! De ontkenningen vanuit zijn verstand tonen zijn enige originaliteit. De rest is een uitbreiding van de instincten, een vulgaire victorie van het object. De essentie van de mens ligt in zijn tegenstand tegen alles.

Ciorans divagaties, fragment 10

Ieder handelen in het leven is een handelen uit voorkeur, een schijn verheven tot idool. Het individu kiest iets en weigert de rest; de natie, een abstractie, wordt concreet in de haat jegens een andere natie, zij wordt levend, bestaat; net zo goed als de mens, in zijn onophoudelijke opstand tegen zichzelf en zijn natuur, zich voedt met dit conflict dat hem uiteindelijk definieert.

In leven zijn, dat is in de grond van de zaak het weigeren van objectiviteit. Wanneer we ertoe zouden komen, dingen en mensen hun eigenlijke waarde toe te kennen, los van ons eigen belang, betekent het dat we een positie innemen buiten hun niveau, dat de drijfveer van ons handelen niet meer uit het leven afkomstig is.

De illusies van de stam niet meer delen, evenmin als de vooroordelen van de natie of de fascinaties van de mens; een denkende steen zijn, gezuiverd door de dodelijke obsessie van de onpartijdigheid, de al te voorgebakken instincten omzetten in een kille wellust die door geen enkele beving wordt aangetast, een geest die geen enkele rilling van medeplichtigheid meer toelaat, lust en walging, opstand en berusting overwinnen – dat zijn de basale voorwaarden voor wat een oordeel kan zijn dat niet bevlekt wordt door de gemeenschap, de natie, hervorming, toekomst of welke andere leugen, inherent aan de ziekte van het bestaan. Dit zou de voorwaarde van de waarheid kunnen zijn.

Het probleem is dat deze voorwaarde je in conflict brengt met alles en iedereen – en zo val je terug in de toestand die je had overwonnen en ontkend. Zo ben je gedwongen jezelf te prefereren, juist wanneer niets je meer rechtvaardigt en niemand je meer accepteert. Onpartijdigheid wordt een ideaal, een hartstocht; ze stuurt je via een omweg terug naar de ketening van het handelen die je had geweigerd. Ieder standpunt, zelfs als het levensvijandig is, is geïnfecteerd door het leven. Tegenstrijdige toestanden onderscheiden zich door hun inhoud, niet door hun schijn. Twee vijanden zijn twee vormen van dezelfde mens.

Alleen wie als organisme overal buiten staat, wie er in alle onschuld in slaagt niet te leven, staat terzijde, boven of onder zijn natuur. Zelfs wie overwegingen over het leven afscheidt verraadt er een geheime affiniteit mee. Objectiviteit is een moeilijker te bereiken ideaal dan heiligheid, want objectief zijn betekent in conflict komen met alle eigenschappen en surrogaten van het leven, terwijl je ademhaalt; terwijl heilig zijn een overeenstemming met de wereld die je hebt gecreëerd veronderstelt, de mijne en die van god, een wereld naar de hemel geslingerd – die ik verkies, die me volmaakt bevredigt.

Objectiviteit is alles wat men zich als het verst verwijderd kan voorstellen van de behoefte aan heil, deze nobele verbuiging van onze reflexen; en van de weigering, de dingen te zien zoals ze zijn. Zien wat is, zoals het is, dat is de dood. Zien wat is, zoals het zou moeten zijn, dat is het leven. Volkomen onpartijdigheid en de dood zijn één en onscheidbaar, het ideaal van de onpartijdigheid is een perverse vorm van eigendunk, smachtend naar ongenaakbaarheid.

Afval

Ik kon niet slapen en besloot mijn onvrede in een lang en vernietigend essay te gieten. Het zijn een paar aforismen geworden…

Afval

Wie denkt niet schadelijk te zijn bedriegt zichzelf.

Alles wat leeft laat een spoor van afval na.

Probeer eens een dag zonder enige schade aan je omgeving door te komen. Het zal je alleen lukken als je stil blijft zitten, niets eet, niets drinkt, niets zegt, niets aanraakt en niets uitscheidt.

Mensen zijn te bruut om mens te zijn en te verziekt om dier te zijn. Ze weigeren iedere verantwoordelijkheid en zijn hun afmetingen alleen ontgroeid in de schade die ze aanrichten.

Alle ellende ter wereld wordt veroorzaakt door mensen die denken ergens recht op te hebben.

Alle denken is geperverteerd vanaf het moment dat de mens denkt iets voor te stellen.

Alle afval is welkom voor wie zijn geestelijk vacuüm wil vullen.

De mens is de mens een consumptieartikel.

Gebruikt worden is bestaan.

Typologie van een kleurrijke voormalige werkkring

Aanleiding

Het kantoor bevond zich op twee verdiepingen van een prestigieus grachtenpand niet te ver van het station van Utrecht. Het is onlangs weer in bewoonbare staat teruggebracht door enkele gefortuneerden. Ik loop er nog weleens langs en dan overspoelt me een lava.

Kleuren

Groen: voorzitter, getrouwd met een biologische fruitteler, veterane van de linksdraaiende politiek. Gezaghebbend, dominant aanwezig, zonder tolerantie voor tegenspraak en andere menselijke gebreken. Afgepast hartelijk en warm menselijk. Maakte het zichzelf wat makkelijker door in haar met gunstige vooruitzichten en hoopvolle verwachtingen gevulde columns voor de nieuwsbrief consequent het woord biola te schrijven. Kende en sprak iedereen, kreeg veel gedaan. Karaktervastheid keerde zich tegen haar wanneer ze bleef steken in onmogelijke standpunten en al te hoogdravende plannen. Consequent treinreiziger, want na een ongeluk bang voor vervoer per auto.

Grijs, directeur. Als vrijwilliger begonnen. Nam de hondse taak op zich toen niemand anders wilde. Statige verschijning, broodmager na al die jaren gezond eten. Intelligent, ijzig kalm en diep van binnen trots op zijn cynisme. Ongrijpbare gladjakker zonder gevoel voor humor. Vatbaar voor overspanning.

Bruin: het werkpaard van de organisatie. Ging met een loodgieterstas vol documenten naar zijn werk en kreeg kantoortijddispensatie omdat hij ver weg woonde, iets waar zijn vrouw allerminst verandering in wenste te brengen. Matig ontwikkeld organisatietalent, kreeg een stagiair opgedrongen om de instabiele stapels op zijn tweedehands Gispenburo uit te mesten en eindelijk eens in dossiermappen te klasseren.

Lichtgroen: stagiare italiano. Wijdde zich met blijmoedigheid aan de documentele augiasschoonmaak. Goed gehumeurd maar lichtgeraakt zeikerdje, die zijn werkdagen op tijd afrondde om de trein en zijn kienderèn van school te halen.

Boerenbont: brabander, die zijn zuidelijke zwier aanvulde met dik geplamuurde zelfingenomenheid en een passief-agressief ego. Ging na zijn tropenjaren zonder omkijken bij een organisatie in de conventionele landbouw werken. Vond het nodig om vrijwel tegelijk met Grijs en Bruin een derde kind op de wereld te zetten, wat de geloofwaardigheid van de organisatie misschien een beetje compromitteerde. Het bij hem gehouden personeelsdagje was het gezelligste ooit: er werd zelfs gevoetbald.

Rood-wit: boekhouding. Utrechtse, sociale spil bij wie iedereen een praatje kwam maken. Wist met veel ondersteuning van de directie de voortdurende barrage van schuldeisers op afstand te houden. Kwam op een dag met een licht beschadigde fiets het pand binnenrijden, nadat ze op de hoek van de gracht bijna door een busje was geschept. Gaf er na een paar slopende jaren de brui aan en stapte over naar een minder hard rammelende club.

Koffiebruin: opvolger rekeninguitstel. Van het laatste uur. Vriendelijke en bescheiden man, wiens koffieverslaving helaas bijdroeg aan een doordringende halitose.

Geel: schrijver van brochures en regelaar van projecten. Dweilerige lange linkse lummel met een scheutje humor. Schond zonder aarzelen de principes van de ecologie door in de voorbereiding van de personeelsavond bij hem thuis takken van struiken te rukken en aan de muur te hangen. Prima pisangbakker die zich zorgelijk afvroeg of de gebruikte olie niet een te geprononceerde smaak had. Begon met een vriend een adviesburootje.

Blond: hoofd secretariaat. Vanaf het prille begin in Zwolle werkzaam bij de organisatie. Besteedde haar werktijd het liefst aan het bijwerken van de ledenbestanden, want dan kon ze vrijelijk met vriendinnen beppen aan de telefoon. Liep regelmatig een mal liedje zingend door het pand en trakteerde collega’s periodiek op in hysterie eindigende donderpreken waarbij geen gemaakt foutje over het hoofd werd gezien. Was en werd weer onderwijzeres.

Reebruin: een van iedere elegantie onbewuste, met de voor haar gunstige eigenschap van een hoog ontwikkeld gebrek aan zelftwijfel. Gaandeweg afdoende competente hoofdredacteur van het promotieblad. Fascinerend in haar gestadige opmars door de wereld. Volgende stap: een natuurvoedingswinkel in Steenbergen.

Peper en zout: amicale advertentie-acquisiteur met het fatale gebrek van een piepstemmetje. Werd soms opgehaald door een onelegante vrouw die de wachttijd op het secretariaat zwijgend doorbracht. Kreeg een kind met haar en vertrok.

Rood: volkstuinder die in stressvolle tijden wel wist waar hij het zoeken moest. Advertentiepusher met doorzettingsvermogen. Had permanent teveel dingen aan zijn hoofd en zakte later verder af.

Blauw: kon zijn borreltje wel wegkrijgen. Het slapste karakter dat er rondliep, in zijn te lang niet gestoomde jasje van de kringloopwinkel. Wekte gêne door zich toen zijn chronische geldnood acuut werd onbeschaamd aan de directeur vast te zuigen. Deed dutjes op een bank in de kelder wanneer het laat was geworden na de korfbaltraining. Weigerde een verzameling spullen op te halen van een beurs waar hij gestaan had, vanwege een feestje.

Wit: medewerker van het eerste uur voor projecten en publiciteit. Nam de taak op zich van de jaarlijkse open dag op de boerderij en kweet zich er met kunst en vliegwerk van. Sprokkelde een vol jaar aan zwangerschapsverloven bij elkaar. Vertrok toen ze het niet meer gezellig vond.

Beige: projectmedewerker die na een lange en moeizame voorbereiding een manifestatie van de grond tilde die een dag lang een groot succes was. Soepele omgang met hotemetoten. Niet bijster opvallende aanwezigheid, ook al gedeformeerd door eigendunk en gebrek aan twijfel.

Blank: een kloeke persoonlijkheid met een mond als een aarsgat, schoenen waarmee ze ’s zomers kon gaan waterskiën en volop hart voor de zaak. Bedierf de pret een beetje met haar chronische kwijlerigheid. Openbaarde een belangstelling voor kitscherige literatuur. Bleef in de sector hangen.

Oranje: binnengehaald om als voormalig publiciteitsmedewerker van een grote charitatieve organisatie een inhaalslag in professionaliteit te realiseren. Werd directeur, terwijl Grijs zijn leven voortzette als rundveehouder. Loodste opdrachten binnen voor zijn broer en een aantal vrienden en kennissen. Kantoortijger met het uiterlijk van een vriendelijke boer, wat bij zijn werving de doorslag zal hebben gegeven. Niet geheel humorloos. Zit nu elders nog veel meer geld te verdienen.

Taupe: organisatieadviseur. Een non-entiteit met viercijferige weekvergoeding die door Oranje werd ingeschakeld om de organisatie door te lichten. Belde tientallen keren naar het secretariaat om te testen of er adequaat op zijn onbenullige verzoekjes zou worden ingegaan. Slaagde erin langdurig over de vloer te komen zonder een concreet document te produceren. Na de geboorte van dat plan van aanpak kwam hij regelmatig terug om het kader met adviezen over alles wat moeilijk en vervelend was bij te staan.

Paars: begon als onwetend en onwillig secretariaatshulpje en eindigde aan de knoppen van het zenuwcentrum. Stug en chagrijnig, liet vreselijke muziek door het pand schallen. Rationaliseerde de secretariële bedrijfsvoering en kon daarbij niet altijd iedereen te vriend houden. Kreeg na de zoveelste klacht van collega’s de mededeling dat het einde oefening zou worden als hij zo doorging.

Zwart: secretariaatsassistent. Onstuitbare fanaticus in het najagen van het enige wat hem werkelijk interesseerde: zo weinig mogelijk uitvoeren. Handelde na een maand of acht inwerken voor het eerst een vraag op eigen kracht af. Vetklep, die eens bij een afscheidsfeestje kwam aanzetten met een bak huzarensalade van een goedkope supermarkt. Werd medewerker van een vrijwilligerscentrale.

Ebben: medewerker van een ook in het pand ondergebrachte aanpalende stichting. Enige kleurling. Diabetisch temperament, snoeverig en lichtgeraakt, maar niet zonder humor. Doorgewinterde kantoorkracht. Nam soms zijn schattige zoontje mee naar kantoor, het oogappeltje van Blond. Er bestaat een foto van beide laatsten en een aantal hoogst verbaasde koeien in een weiland.

Zeeblauw: lobbyist, coördinator van de aanpalende stichting. Rijzig, onnadrukkelijk, zalvende spreekstijl. Dol op sporen. Was na een paar jaar uitgeput van het duwen tegen de haagse rubberen muren en vertrok. Zijn opvolgster stapte een half jaar later ontgoocheld op. Daarna fuseerden de twee stichtingen, wat Oranje weer eens de gelegenheid bood om de kas van een paar bevriende huisstijldesigners te spekken.

Vimgeel: vrijwilliger, zwaar gehandicapt na een onvakkundig uitgevoerde val van een dak. Werd opgelapt en gratis aangeboden. Kreeg een peperdure cursus om een begin te maken met internet en email. Greep de kans aan om met familieleden te corresponderen en vertrok voordat hij de organisatie met zijn kennis kon verrijken. Vanwege zijn cretineuze stem ongeschikt om aan de telefoon te zetten. Slim genoeg om mensen moreel te chanteren en een pijnlijke, gemaakte vriendelijkheid af te dwingen. Verwekte bundeltjes gedichten van een tranentrekkende banaliteit. Schuifelt nu lispelend door de straten.

Ciorans divagaties, 5

Jezus hing maar drie dagen aan het kruis te rotten; wij ons hele leven, en de ontwerper of eerder de medeplichtige aan de genesis, de eeuwige en onveranderlijke God, heeft zijn perfectie in gevaar gebracht vanaf de eerste dag, al sinds hij deelnam aan de algehele ontbinding genaamd tijd. De theologie der gewonde gedachten verzint een oneindig bederfelijke godheid, die zijn stof laat vervallen om het evenbeeld van de mens te weerspiegelen.

Tot nu toe projecteerden we slechts het oppervlak van onze harten op de hemelen. Maar zijn die niet de aangewezen streken om ons in de tragedie te storten, de juiste ruimte voor een ranzige eeuwigheid? Onze zonden hebben niets meer toe te voegen aan het icoon van de Duivel, toch is het aan hen om de banaliteit van een flauwe godheid nieuw leven in te blazen. Hoelang zal de Boze zich nog in alle eigenschappen van de ziel verheugen? Hoelang nog zal hij de enige spiegel zijn waarin we onze geheimen en de kracht van onze eigendunk weerkaatst zien?

Men zou geloven dat we het beste en het slechtste van onszelf op hem geprojecteerd hebben, dat wat ons het meest eigen is. En op het moment dat we zijn tegenstander en meester uitwerkten, uitgeput, onmachtig, schiepen we een breekbaar beeld, het evenbeeld van de eigenschappen van onze eigen bloedarmoede. Zullen we de kracht nog vinden om eindelijk een God in de wereld te zetten?